Toeval

image_pdfimage_print

Wat kan ik weten, wat kan ik hopen, wat moet ik doen? I. Kant, Duits filosoof 1724-1804

Zijn onze levensomstandigheden toevallig?

De geestelijke evolutie van de menselijke individualiteit.

I. HET BEGRIP TOEVAL (i.v.m. de levensomstandigheden en integrale zingeving).

1. Een voorbeeld. Stel: een eikel valt op de grond. Normaal gezien, volgens zijn natuur en zijn omgeving, zal er een kiem uit ontwikkelen die zal groeien. Dat is natuur noodwendig, het is gedetermineerd. Doch, stel dat een mens op die eikel trapt, hem vervormt: het kan gebeuren dat de eikel toch ontkiemt maar vervormd groeit. Het trappen van de mens op die eikel is toeval, waarmee we bedoelen: niet noodzakelijk voorzien in de natuur en de omgeving van die eikel. Stel een extreem toeval: een eekhoorntje peuzelt de eikel op. Dit is niet voorzien in het normale, natuur noodwendige verloop van die eikel; het is niet gedetermineerd gezien vanuit de eikel.

2. Een groter kader. Toch is het trappen door een mens en het opeten door een eekhoorn in een groter geheel gezien voor de eikel geen toeval. Indien de mens uitgerekend langs daar komt of indien de eekhoorn op dat moment zijn honger wil stillen, dan is dit voorspelbaar, niet vanuit de eikel maar vanuit de gehele context waarin de eikel zich situeert. Maar wie kent van de dingen de gehele context, vanuit de concreet individuele omstandigheden?

Zo komt de plotse ondergang van de Titanic (14.04.1912) voor de meer dan 1500 opvarenden over als een macaber toeval, althans binnen hun gezichtseinder. Maar wie op de gehele context zou gelet hebben, namelijk het traject Southhampton – New York èn het loskomen aan de noordpool van deze ijsberg en zijn traject, zou dit treffen voorspeld hebben.

Professor Williams (van de Universiteit van Leuven) zegt hierover het volgende: “Het lijkt nogal evident dat het samentreffen veroorzaakt werd door natuurkundige oorzaken in de twee reeksen. Het was honderd procent gedetermineerd. Het werd een toeval genoemd, enkel en alleen omdat men onvoldoende kennis had van de twee processen” (waarom die of deze persoon op deze boot zat en een andere niet, zal verder behandeld worden).
Zolang men één van de twee objecten afzonderlijk bekijkt, beschouwt men het botsen als toeval. Noch in de natuur van de Titanic, noch in die van de ijsberg is de botsing  noodzakelijk. Maar indien men beide mechanische bewegingen integraal bekijkt, dan is het botsen gedetermineerd. Dat is het objectieve gegeven. Maar cognitief (met kennis) was die objectieve noodzaak onvoorspelbaar, gezien de leemten van het (normale) kenvermogen van de mens.

In algemene termen kan men vooropstellen dat het meervoud der verlopen (dit kunnen er vele zijn) van gebeurtenissen de voldoende reden is. Het begrip ‘toeval’ bij kennis van deze processen is dan onbestaand. Men moet dus goed onderscheid maken tussen objectief, wat in de processen zelf wezenlijk aanwezig is, en cognitief, wat wij met ons beperkt kenvermogen weten van de objectieve processen.

3. Zelfde basis wetmatigheid voor de levensomstandigheden in het algemeen.
Zo lijken vele feiten binnen ons aardse leven toevallig, maar gezien in een grotere context, bijvoorbeeld die van de reïncarnatieleer en de wet van karma, zijn zij bij optimale cognitie voorspelbaar en verklaarbaar en dus niet toevallig. Wat dus vanuit één perspectief als toeval overkomt, blijkt dus bij globale of allesomvattende beschouwing geen toeval meer te zijn eens men de redenen kent. Dit is het algemeen patroon waarin de ‘lots’-structuur van plant, dier en mens zich situeert.

4. Er is steeds een reden, een voldoende reden voor alles wat bestaat.
Een enkelvoudig verloop met afwijking van het normale natuur noodwendig verloop der dingen, neigt tot een beroep op toeval bij gebrek aan kennis van voldoende reden. Zulke feiten die geen voldoende reden(en) hebben binnen de totale context van het bestaan kennen wij echter niet. Alleen in sprookjes komt zoiets voor, maar dan is het ook maar een sprookje.

Plato zegt: “Niets is zonder reden”. Dit kan ook omgekeerd worden: “Wat zonder reden is, is niets”. Dit behelst dat toeval, begrepen als afwezigheid van reden, geen plaats heeft binnen het menselijk denken en moet beschouwd worden als een absurditeit. Wie toeval dus een werking of een eigenschap toeschrijft, objectiveert ‘iets’ dat geen wezenheid of bestaan heeft. Het is niets want het heeft geen reden.

II. Een VRIJE INGREEP van de mens is mogelijk.

Wij moeten het feit onderstrepen dat de menselijke (voorlopig beperkte) vrijheid de nodige speelruimte krijgt binnen het gedetermineerd karakter van de natuur. Om op onze eikel terug te komen: een mens kan de gevallen eikel oprapen en planten op een andere plaats. Het opgeraapt worden en geplant worden door een mens behoort niet tot de essentie van de eikel; het zijn “accidenten” om met Aristoteles te spreken. Als essentie, op zich, uit zichzelf, zit de menselijke ingreep er niet in en is deze accidenteel aanwezig in het essentieel natuurlijk verloop van de eikel: de ingreep is een ‘toevallig’ accident vanuit het beperkte kader van de eikel.

De mens in zijn vrijheid is zich bewust van het niet-noodzakelijke in de natuur en zet deze naar zijn hand. (“Science” 12.01.2001). Hij kan zelfs de eikel genetisch manipuleren. Dit gaat dus heel ver in de huidige technologische wereld, waar wij in sommige gevallen vragen kunnen bij hebben. Dit is een ander hoofdstuk waar wij hier niet verder op ingaan. De vrije ingreep van de mens is dus mogelijk binnen het gedetermineerde kader van de natuur, waardoor de menselijke vrije wil het gedetermineerde kader van alles wat hem omringt overstijgt.

III. Het GROTE KADER waarin de menselijke ziel functioneert en evolueert. Invloeden voor geestelijke evolutie.

1. Eerste factor: de geboorte.
Wat met onze vrijheid in die reusachtige keten van causaliteiten (oorzaken) op verschillende niveaus? Het is duidelijk dat onze beginvoorwaarden, de conceptie in de moederschoot, feilloos zeker een grotendeels onomkeerbaar proces met zich meebrengen. Over de voldoende reden hiervan zullen de reïncarnisten en de materialisten grondig verschillen van opvatting. Wij stellen voorop dat reïncarnatie en karma de doorslaggevende factor is voor de specifieke geboorte van een mens met zijn niveau van ontwikkeling als monade (ziel).

2. Tweede factor: het milieu.
Het milieu is een ontegensprekelijk gegeven dat enorme invloed heeft op het menselijk bestaan en de kansen voor materiële en spirituele evolutie. Dit is een algemeen aanvaard gegeven. Wij zien echter het terechtkomen in een bepaald milieu als een gevolg van vorige levens en dit heeft dus zijn redenen. Vanuit een beperkte kennis bestempelen niet spirituele mensen geboorte en milieu als een ‘toevallig’ gegeven. Wij onderkennen hier de voldoende redenen van de geestelijke wetmatigheden (reïncarnatie en karma) die aan de basis liggen. Wij zijn wel onbekend met de karmische handelingen die een bepaalde ziel heeft gesteld in vele vorige levens, die dit huidige leven heeft veroorzaakt (op paranormale wijze is een beperkte kennis met controle soms mogelijk, bv. bij regressie in hypnose).

3. Derde factor: de vrije wil.
Zodra wij tot de jaren van onderscheiding en verstand zijn gekomen (een nieuw stel beginvoorwaarden), blijkt dat wij voortdurend gedwongen zijn keuzes te maken (bewuste keuzes, wat een klein kind nog niet kan). Als wij vrijheid definiëren als “over verschillende keuzemogelijkheden beschikken”, dan is deze vrijheid onloochenbaar. Iedereen ondervindt dagelijks dat hij op een beperkt aantal terreinen vrij kan kiezen. Hier betreden wij in de meeste gevallen het terrein van de ethiek en de spiritualiteit. Dit is een kwestie van waarden. De neiging en de bekwaamheid volgens bepaalde ethische en spirituele waarden te leven is opnieuw bepaald door het karma uit vorige levens.

4. Vierde factor: het niveau van de zielspersoonlijkheid.
De persoonlijkheid verbonden met de Monade of ziel (door “de draad van Ariadne” of “zilveren koord”) komt dus op aarde als resultante van al haar vorige levens. Hieruit vloeien alle omstandigheden voort als gevolgen van het handelen uit deze vorige levens. Zo is de wereld, de natie, de familie waar je terecht komt, ziekte, gezondheid, relaties, beroep, spirituele ingesteldheid, voorspoed, tegenspoed, omstandigheden, lezingen, boeken, kortom alles wat naar u toekomt, de karmische informatie die zich ontwikkelt, te vergelijken met wat zich afspeelt op het materiële vlak, zoals het embryo dat zich ontwikkelt volgens de DNA-informatie.

Zoals de mens op het materiële vlak het gedetermineerde karakter van de wetmatigheden kan overstijgen (zie hierboven), zo kan een spiritueel mens dit ook op geestelijk vlak. Bedenken we vooreerst dat al deze levensomstandigheden (goed of minder goed) door ons zelf zijn veroorzaakt. Verder kunnen wij zoals een computer-specialist het programma kan wijzigen, kunnen wij naargelang ons spiritueel niveau ons karmisch programma beperkt wijzigen. Een Meester bv. heeft volledig inzicht in het karma en beheerst het volledig.

Wij zijn ver van dit niveau, maar bedenk dat elke handeling die je nu stelt een oorzaak is die zijn gevolg kent in dit of een volgend leven. De persoonlijkheid met haar goddelijke essentie (de monade) heeft in dit aardse bestaan de afwijkende neiging zich met het ego te identificeren. Het ego wordt hier gezien als een door genetische eigenschappen en milieu-invloeden beperkt gegeven. Ego-loos worden is het zich bewust losmaken (door een spiritueel ingesteld leven) van beperkende aspecten of eigenschappen (geslacht, leeftijd, beroep, milieugebondenheid,) om enkel tot zuiver zelfbewustzijn te komen. Dan zal het goddelijke zich zuiver in de ziel weerspiegelen, los van het beperkende ego, zonder dat de individualiteit verloren gaat.

IV. Hoe komen deze omstandigheden naar ons toe? De wet van synchroniciteit.

De wet van karma is een geordend plan dat door de wet van synchroniciteiten zich uitwerkt in de levensomstandigheden. Bijvoorbeeld, een roodborstje dat tegen mijn raam vliegt en gelijktijdig speelt een liedje over een roodborstje. Dit en analoge gebeurtenissen heb ik meermalen meegemaakt en vindt men ook in de literatuur, zoals bijvoorbeeld bij C.G.Jung.

Dit gebeurt doorlopend in de levensomstandigheden die allemaal een synchroon gebeuren zijn met een karmisch oorzaak. ‘Kleine’ synchrone feiten, die wellicht niet zo belangrijk zijn, beschouwen we als het topje van de berg. Onze kennis is veel te beperkt om het geheel van ons leven te onderkennen als het karmisch gevolg van onze vorige levens en dit huidige leven. Slechts een Kosmische Intelligentie (God) beheerst deze door Hem zelf geschapen rechtvaardige wetmatigheid.

V. Besluit.

Elke situatie is een wegwijzer, een uitnodiging om juist te handelen, zich te onthechten en los te laten, uiteindelijk moeten we toch alles loslaten.

Zoals vooropgesteld liggen karmische oorzaken mede aan de basis van genetische- en milieu-invloeden. Het karma zal als een godsgeschenk die milieu- en genetische invloeden aanreiken, als kansen om de individualiteit te verrijken en naar kosmische hoogten te brengen. Uiteindelijk zijn genen en milieu overbodig en is reïncarneren in de materie dan niet meer nodig. Dit ligt nog veraf en is het niveau boven de mens van Dhyan-Chohans (engelen genoemd in het christendom).

Dit is een heel belangrijke stap in de bedoeling en zingeving van ons bestaan die spiritueel geen einde kent. We evolueren dan steeds verder in hogere gebieden. Boven ons ligt dus het nirvana of het gebied van de Dhyan-Chohans. De spiritueel-goddelijke evolutie kent verder geen grenzen. Dit is de uiteindelijke bedoeling van ons bestaan de ultieme zingeving van ons leven om zelf een bewuste godheid te worden.