Doelbewuste Pad

image_pdfimage_print

Het doelbewuste pad of het pad van de zwerver. Wij kiezen zelf !!

OVERZICHT:

  • 1. Inleiding.
    1. 1. Het levensrijk van de mens is een kritiek overgangsmoment.
    1. 2. Hulp van onze goddelijke voorouders.
  • 2. De keuze uit vier paden.
    2. 1. Uitleg over de vier paden.
    Het pad nr. 1
    Het pad nr. 2
    Het pad nr. 3
    a. (van nr. 3) Het doelbewuste, van het opwaartse pad.
    b. (van nr. 3) Het pad van de zwerver, van het opwaartse pad.
    2. 2. De theosofische motivering voor het bewuste juist handelen.
    2. 3. Een analogie met de evolutie van de monade.
    2. 4. De Meester schrijft naar Sinnet.
    2. 5. Het vierde pad (nr. 4), het neerwaartse pad.
    2. 6. Iedereen kiest zijn eigen pad.
    2. 7. De mythe van “De draad van Ariadne en het Labyrint” (esoterische verklaring)
  • 3. De zeven treden: reflecties bij deze indeling.
  • 4. De ster van wie u de straal bent.
  • 5. De vier graden van inwijding.
    5. 1. De status van een Arhat of leerling.
    5. 2. Hogere vermogens nodig voor het krijgen van inwijdingen.
  • 6. Wie is een ‘Boeddha’? Het buddhi-beginsel.
  • 7. Bedoeling van de inwijdingen.
    7. 1. Voorbereidende stadia voor inwijdingen.
    7. 2. Wat moeten wij concreet doen?
    7. 3. Een wetenschappelijke bedenking hierbij.
    7. 4. Lijken die raadgevingen overdreven?
    7. 5. Hoe moet men dan met zijn gedachten worstelen.
    7. 6. De karmische wetmatigheid, verwoord in “De stem van de Stilte”.
  • 8. De gewaden van hogere wezens.
    8.1. Een “Nirmanakaya”.
    8. 2.Het begrip ‘Trikaya’ of de drie verheerlijkte gewaden. Uitleg pantheïsme.
  • 9. De leer van de Avatars.
    9. 1. Betekenis van het woord “Avatara”.
    9. 2. Wat is een Avatar eigenlijk?
    9. 3. Een Avatar is een heel bijzondere incarnatie.
    9. 4. Korte samenvatting van wat een Avatar is.
    9. 5. ‘Kleinere’ Avatars.
    9. 6. Krishna als model om een Avatar beter te begrijpen.
    a) Hoe verhoudt Krishna zich tot Parabrahman of het Absolute?
    b) Wat is toewijding aan een Avatar?
    c) Is toewijding en een relatie van liefde mogelijk met het Absolute?
  • 10. Congenialiteit.
    10.1 Inleiding.
    10.2 Congenialiteit.
    10.3 Menselijke en goddelijke congenialiteit.
    10.4 Mystieke eenheid.
    a) Mystieke eenheid en verlichting.
    b) Wanneer de mens zich dan terugtrekt….

1. INLEIDING
De essentie van dit hoofdstuk komt neer op de “de wet van mededogen”. Deze wet is uiteraard maar toepasselijk op wezens bij wie reeds het manas-beginsel is opgewekt. Deze opwekking werd verricht door de manasaputras en gaf ons een vrije wil en zelfbewustzijn als gevolg. Dit is dus voor de mens en hoger. Het is maar normaal dat wij als zelfbewust wezen deze wet bestuderen, hierdoor kunnen wij immers keuzes maken. Deze vooruitgang van de mens, die we bespreken gaat hoofdzakelijk over de cyclus in onze keten met haar zeven ronden. Diegenen die het nodige niveau hebben bereikt bij het einde van de zevende ronde bereiken de toestand van een Dhyan-chohan. Zij kunnen dan op vrijwillige basis, verder evolueren op “het Open Pad” of “het Verborgen Pad”.

Zij van het “Open Pad” gaan onmiddellijk de gelukzaligheid van het Nirvana in.
Zij van het “Verborgen Pad” verkiezen door zelf- opoffering hun geluk uit te stellen om de mensheid verder te helpen.
Zij hebben beiden dit stadium door eigen, bewuste inspanning bereikt en het is niet zo, dat zij dit te danken hebben aan gaven of bijzondere voorrechten: dit is een fundamentele vooropstelling.

1. 1. Het levensrijk van de mens is een kritiek overgangsmoment.
Vooreerst uitleg over de plaats van het levensrijk van de mens. Het levensrijk van de mens komt na dit van de mineralen, planten en dieren en vóór dit van de dhyan-chohan.
Voortdurende evolutie is een constante (vooruit of achteruit), daar beweging een grondwet is van het ‘Goddelijk Plan’. Het ligt dus voor de hand dat ieder wezen dit goddelijk plan moet volgen, wat ook zijn plaats op de levensladder is. De wezens, die zich op de zevende sport van de levensladder bevinden nl. de mensen, nemen een bijzondere plaats in. Van de zeven rijken zijn er nog de drie elementale niet vernoemde rijken om aan de zeven te komen. De dhyan chohans bevinden zich reeds op een hogere cyclus.

Zij (de mensen) verkeren in het kritieke ontwikkelingsstadium in de zevenvoudige cyclische reis van zeven ronden. Dit noemt men ook de “Kringloop van Noodzakelijkheid”. Deze uitdrukking spreekt voor zichzelf. In dat rijk van de mens is hij in staat zelf zijn evolutie te leiden en het is een noodzakelijke stap die men moet zetten naar goddelijkheid. In de drie eerste ronden van de zevenvoudige keten volgen de monaden van deze toekomstige mensen het patroon dat voor hen is uitgezet, op dezelfde wijze waarop de monaden in de lagere rijken dat doen, zoals de mineralen, de planten en de dieren. De monaden van deze lagere rijken zullen hun patronen blijven volgen tot het eind van dit manvantara. In de vierde ronde gebeurt er iets geheel nieuws voor de toekomstige mens (op dat ogenblik is hij namelijk nog niet echt mens).

1. 2 Hulp van onze goddelijke voorouders.
Tijdens de vierde ronde, in het derde ras van de Lemuriërs, krijgt de mens hulp van zijn goddelijke voorouders, de zonnepitris (of zonnedhyhan-chohans). Het evolutieresultaat van het manvantara vóór ons (de maanketen) zijn de maanpitris, deze van de zon zijn dus nog een cyclus ervóór en dus hoger. Het zijn deze wezens (de zonnepitris) die het manas bij ons (dat we in aanleg hadden) hebben opgewekt. Men noemt ze de ‘Manasaputras’. Zoals een vonk de aanleiding kan zijn tot het uitbreken van een brand, zo werden door het ‘Vuur’ van het verstand, de sluimerende krachten in de mens opgewekt. Vanaf dan moet de mens zijn opwaartse vooruitgang volbrengen door eigen krachtinspanning en op basis van zijn vrije wil.

Dit kan hij nu als gevolg van het stimuleren van het manasbeginsel. Hij kan vooruitgang boeken, hij kan op dezelfde plaats blijven trappelen, hij kan zijn vooruitgang vertragen en mislukken in deze cyclus, hij kan achteruitgaan en dus zijn niveau verlagen. Hij gaat echter nooit naar een lager rijk (bv naar dat van de dieren, maar wel kan hij een verloren ziel worden met al de gevolgen van dien). Alleen bij hem ligt de beslissing. Hij heeft de prikkel gekregen door het wakker worden van zijn manas, elke keuze – elke dag, elke minuut – ligt nu in zijn eigen handen. De mens kan dus niet meer langer als een onbewust wezen alles ondergaan. Hij moet steeds opnieuw een onontkoombare beslissing nemen. Ieder mens kiest dus zelf voor zijn toekomst en iedereen krijgt dezelfde kansen.

2. DE KEUZE UIT 4 PADEN (binnen het kader van het open of verborgen pad)
1. Het Pad van onsterfelijkheid (verborgen Pad: dit is van zelfopoffering).
2. Het Pad voor de Bevrijding voor zijn eigen zelf (onmiddellijk naar Nirvana)
3. Het Opwaartse Pad (met twee wegen, dit volgens eigen keuze en in onze huidige evolutieperiode). Deze twee wegen zijn: a) doelbewust of b) het Pad van de zwerver.
4. Het neerwaartse Pad

2. 1.Uitleg over de vier paden.
1. Wanneer men het pad van onsterfelijkheid (nr. 1) heeft gekozen, wenst men dat deze onsterfelijke glans ook voor anderen kan bestaan zodat alle pelgrims het kunnen volgen. In de Oosterse Esoterische scholen is dit bekend als het ‘Verborgen Pad’. Het is verborgen omdat degenen die dit pad kiezen, afstand doen van het nirvana om daarna in het ‘Verborgene’ verder te werken en de andere pelgrims te helpen. Dit is weggelegd voor de hele ‘Groten’ zoals een Boeddha van Mededogen of een Bodhisattva, maar elke monade krijgt op het einde van de cyclus deze keuze.
2. Het tweede pad voor zijn eigen zelf (nr. 2). Dit spreekt voor zichzelf, de monade wil evolueren voor zichzelf. Dit is het pad van de ‘Bevrijding’ dat leidt naar het nirvana. Daar glijdt de ‘dauwdruppel’ in de stralende oceaan en zal niet meewerken aan de evolutie van de achterblijvende monaden van zijn cyclus. Zij bereikt het ‘Boeddhaschap’ maar doet geen afstand van het nirvana. Zij kan echter op vele andere wijzen verder medewerken aan het goddelijke plan, aangezien volledige stilstand niet bestaat.
3. Het derde pad (nr. 3) is ook een opwaarts pad, maar het verschil met het eerste (van zelfopoffering) is, dat het veel trager gebeurt. Deze laatste monaden (van zelfopoffering) zijn dus vanaf het moment van hun keuze zo sterk gemotiveerd dat ze zeer doelbewust verder leven (gelijk ook de doelbewuste van nr. 3, zie volgende paragraaf). Men kan ook hier op een bepaald moment de keuze doen bij de bevrijding (als men het nirvana heeft bereikt) om verder voor de mensheid te werken of niet. Deze monaden gaan langs de spiraal van zeven windingen door middel van voortdurende wedergeboorten op de aarde. Maar ook in dit veel tragere pad moet men nog een (andere) keuze maken, want er liggen nog twee verschillende paden open.

  • a). (van nr. 3) Het doelbewuste, van het opwaartse pad.
    Dit zijn de monaden die op een bepaald moment door inzicht (ze zijn als het ware echt ‘ontwaakt’) vastbesloten zijn om zonder afdwalen tot het einde door te gaan, tot zij het doel hebben bereikt. Dit doel is de pelgrimstocht doorheen deze planeet-keten van zeven ronden, heel bewust door te maken. Op deze manier zullen zij in elke incarnatie steeds in omstandigheden komen om verder aan hun evolutie te kunnen werken en die van anderen. Deze evolutie waar ze naar streven en waar ze aan werken, is de volgende sport van de evolutieladder, het niveau van een Dhyan-chohan. Dit is een wezen dat reeds begiftigd is met goddelijke hoedanigheden. Het gebeurt volgens het evolutieplan op het einde van de zevende ronde, op de zevende planeet. Het kan ook iets vroeger, afhankelijk van de bewuste inspanning die de pelgrim doet. Er zijn ook vele monaden die niet in slagen in deze cyclus, ook al hebben ze zeer veel tijd en steeds nieuwe kansen.
  • b). (van nr. 3) Het pad van de zwerver, van het opwaartse pad.Dit zijn diegenen die zo maar gewoon leven, zeer onbewust van hun toestand zoals een klein kind, kortom zoals een zwerver, maar dan op het evolutiepad. Men kan het vergelijken met iemand die een tocht doet in een groot woud. Hij weet niet waar hij eigenlijk naar toe wil gaan. Bij elke keuze die hij moet maken bij een splitsing van paden denkt hij “we zullen wel zien waar we uitkomen” en neemt zo maar een willekeurige beslissing. In het spirituele leven is dit niet een van te voren vastgestelde toestand, die de pelgrims wordt opgelegd. Iedere reiziger maakt deze keuze zelf. Dit neemt niet weg dat men steeds maar moet voortgaan in de immer herhaalde cycli van wedergeboorten, zonder het doel te bereiken. Deze pelgrimstocht is zelfs voor de anderen (die van het doelbewuste pad) enorm lang, leven na leven, bol na bol. Voor de ‘zwerver’ kan het kalpa* (of manvantara, zie uitleg hieronder) na kalpa zijn. Dit komt omdat wij op een vastgesteld tijdstip (in de helft van de vijfde ronde) een uiteindelijke keuze moeten maken. Een zwerver is nog niet klaar en moet dus wachten tot het volgende kalpa en daar dan verder gaan. Gaat hij in het volgende kalpa een bewuste keuze maken, of nog later? Dus elke pelgrim heeft de macht en de mogelijkheid zelf te kiezen welke weg hij wil gaan. Wanneer gaat de zwerver besluiten vooruit te snellen op het doelbewuste pad en niet zo maar onbewust en willekeurig? Wanneer gaat hij de gelegenheid te baat nemen? Wanneer het gewichtige ogenblik voorbij is (in de helft van de vijfde ronde) is het moment van de keuze voorbij voor dat manvantara. Dat tijdstip is dus onherroepelijk en dan moet hij (wellicht in onbewuste toestand) wachten tot het volgende kalpa*.

* Een Kalpa is een manvantara. Dit is de cyclus van zeven ronden, langs zeven planeten, waarin wij normaal onze bevrijding kunnen bereiken en op de volgende trap van evolutie komen. Dit duurt in onze cyclus 4.320. 000.000 (4 miljard jaar 320 miljoen jaar)

2. 2. Het theosofisch gedachtegoed als fundamentele motivering voor het bewuste juist handelen.
Als u aan iemand zegt dat hij goed moet handelen en inspanning moet doen in zijn leven zonder de reden te geven waarom, zal dit weinig of geen indruk maken. Als u echter de context kunt geven van het grootse evolutieplan waar hij deel van uitmaakt, dat hij een goddelijke vonk is die door deze cyclus moet evolueren om zelf een bewuste God te worden, is er veel kans dat u zijn aandacht zult krijgen.

Zeg hem dat het alleen van hem afhangt of hij vooruitgang maakt en slaagt, dan geeft u hem een grondslag voor het juist ethisch handelen. Als er ook maar iets goeds in hem schuilt, is er wel een veel grotere kans dat hij deze zeer diepzinnige spirituele en coherente filosofische grondslag wil volgen. Hopelijk heeft hij het intellectuele en het mystieke onderscheidingsvermogen om dit gedachtegoed te aanvaarden als juist of toch als een werkhypothese om er naar te handelen.

Het westerse denken heeft meer dan ooit de echte wetenschappelijke en authentieke spirituele en filosofische basis nodig. In het Oosten hebben ze dit al vele duizenden jaren, maar het wordt ook daar meer en meer geseculariseerd. Bij ons in het Westen hadden we de wijsheidsscholen in Rome, Griekenland en Egypte die om verschillende redenen ondergronds moesten voortbestaan, maar in die omstandigheden met weinig of geen uitstraling en met veel minder in aantal. Stilaan ontwikkelde zich een materialistische en positivistische visie en zelfs nihilistisch met August Compte 1798-1857, Marx 1818-1883, Darwin 1809-1892, Nietzsche 1844-1900 en vele anderen. Er was echter wel een toestand van meer vrijheid. Gelukkig heeft Blavatsky en haar medewerkers (onder stimulans van de Meesters) de oude westerse wijsheid en ook de kennis van het Oosten in een stichting, “De Theosofische Vereniging”, opgenomen en vastgelegd te New-York in november 1875. Hierdoor hebben we nu de Theosofie uit de Oudheid terug opgenomen voor de moderne tijd.

Ethische grondslagen zweven zo maar niet in de lucht. We kunnen de theosofische leer alleen vanuit intellectueel standpunt niet begrijpen, er moet een geestelijk licht op schijnen. Dit geestelijk licht manifesteert zich door het verstandelijke denken van het hoger manas dat het inzicht geeft. Dit goddelijk Licht zal dan het moreel gevoel dat in de mens inherent aanwezig is (door zijn monade en buddhi) in hem wakker maken. Dit is waarover de grote Duitse filosoof Imannuel Kant sprak toen hij verklaarde dat er in ons heelal iets meer was dan alleen maar kracht en stof. Wij kunnen dus het theosofisch gedachtegoed niet scheiden van zijn ethisch fundament.

De meeste mensen lukken er niet in, in het leven een blijvende voldoening te vinden die alleen maar door onze hogere goddelijke natuur kan worden gevonden. Het is niet voor niets dat Jung sprak van de ‘dagelijkse neurose’ van de meeste mensen omdat zij de zin van hun bestaan niet kennen. Dit toont duidelijk aan dat de mens maar echt diep gelukkig kan zijn als zijn geestelijk-goddelijke basis wordt gevoed.

2. 3. Een analogie met de evolutie van de monade.
Men kan het leven op aarde vergelijken met een school, waarin zeven klassen zijn. Iedere klas is gelijk aan één ronde op de “kringloop der noodzakelijkheid” (dit is een typisch theosofische uitdrukking om onze evolutie voor te stellen). We moeten zo zeven ronden doorlopen om de kringloop af te werken. In een school is het doel ook de gehele school te doorlopen, door de klassen één voor één, zonder er één over te slaan en zo door te gaan. Daar de lessen steeds moeilijker worden zal een leerling die niet studeert of de lessen niet bijwoont, niet slagen voor zijn examens. Hij kan dus niet overgaan naar de volgende klas. De eerste drie klassen (dit zijn de ronden in onze vooropstelling) zijn nog voor een deel onbewust en daarna nog niet zo moeilijk. In de vijfde klas (vijfde ronde) zijn de lessen zo moeilijk, dat een leerling die niet op dit niveau is, onmogelijk kan slagen. Hij kan dus niet verder en kan het eindexamen niet meedoen. Tot hier de analogie.

2. 4. De Meester schrijft naar Sinnett wat een leerling moet doen (ingekort en persoonlijk vertolkt): “Het pad dat leidt naar de bewuste keuze is moeilijk. Hij zal vele problemen moeten overwinnen om de toegang te vinden en er door te gaan. Dit is twijfel, scepticisme, hoon, spot, jaloezie en tenslotte de verleiding om het op te geven. Hij moet een hart en een ziel hebben als van staal, een nimmer falende vastberadenheid en toch zachtmoedig en bescheiden. Elke hartstocht die hem zou afleiden, moet hij uit zijn hart bannen. Heeft u al deze eigenschappen?” (Uit: Brieven van de Meesters aan Sinnett, 379-380).

De Gnosticus William Blake (1757-1827) was schilder en schrijver. Had zeer veel belangstelling voor filosofen en mystici: las de werken van Francis Bacon, John Locke, Jacob Böhme, Paracelsus, Emanuel Swedenborg en vele anderen. Wij erkennen in hem de theosoof die kort vóór de stichting van de moderne theosofie heeft geleefd. Hij zegt: “Zij die de hemelpoort binnengaan zijn geen wezens die geen hartstochten hebben, of die hun hartstochten onderdrukken. Het zijn zij die inzicht hebben verworven in hun hartstochten.”. De ‘hemelpoort’ waar Blake naar verwijst is de devachan tussen twee levens, maar nog niet het nirvana op het einde van de zevende ronde. De Meesters hebben het over de cyclus van zeven ronden. Op dat moment vóór het binnengaan van het nirvana, “moeten de hartstochten uit het hart zijn gebannen”.

2. 5. Het vierde pad (nr. 4), het neerwaartse pad.
Dit wordt zo genoemd omdat het rechtstreeks het tegenovergestelde is van de andere drie paden die opwaarts gaan in hun evolutie. Het is een echte afdaling die te verschrikkelijk is om te overdenken. In hun brieven aan Sinnett schrijven de Meesters het volgende: “Na het einde kennen zij die in het opwaartse pad zijn geëvolueerd een langdurig nirvana van gelukzaligheid. Maar anders is het Avichi – het resultaat van het neerwaartse pad – het is een toestand van ellende en verschrikking als een… maar u mag het woord niet horen en ik moet het niet uitspreken of opschrijven!”

Zo is dan het “Neerwaartse Pad” het uiteindelijke lot van hen die het pad van de linkerhand volgen, hierover zijn onheilspellende woorden gezegd, zoals “de broeders van de schaduw, of “de moordenaars van hun ziel” zoals Blavatsky schrijft in “De stem van de stilte”. Daarom wordt in het hetzelfde werk het volgende advies gegeven, in poëtische woorden, maar heel toepasselijk:

“Trek hoog de muur op, Lanoe, die het ‘heilige eiland’ (d.i. het hogere zelf) moet omsluiten, de dam die u moet beschermen. Ja bouw de muur, omdat niet de woeste brandingsgolven uit de Oceaan van de grote wereldillusie die komt aangerold en die op de kust beuken, de pelgrim en het ‘Eiland’ zouden verzwelgen” .

2. 6. Iedereen kiest zijn eigen pad.
De mens moet dus zijn eigen route uitzetten. Het doel dat de mens zich stelt, dat is wat hij worden zal. Wij hebben reeds uitdrukkelijk gesteld dat “De mens wordt datgene waarnaar hij verlangt”. Dit is dus niet alleen voor het leven hier op aarde, of tussen twee levens, maar ook in het geheel van de grote cyclus. Wij moeten dus zorgen dat we niet verdwalen, zoals dit kan gebeuren op het pad van de zwerver en zeker voorkomen helemaal in de verschrikkelijke vernietiging te komen van het neerwaartse pad. Dit laatste is heel uitzonderlijk en is voor hen die leven na leven wreedaardig, meedogenloos zijn geweest en zeer veel kwaad en lijden hebben veroorzaakt. Wat de drie opwaartse paden betreft en vooral dat van de zwerver, geeft het verhaal van “De doolhof in het labyrint” ons een goed beeld hiervan.

2. 7. De mythe van “De draad van Ariadne en het Labyrint”
Het is een geliefde beeldspraak van Blavatsky die zij regelmatig gebruikt in “De Geheime Leer”. Zij heeft een veelzeggende betekenis.

Koning Minos van Kreta, die toen Athene overheerste, liet een zeer ingewikkelde doolhof bouwen. Op de koop toe zwierf er een vreselijk monster in, half stier half mens. Als schatting moesten elk jaar zeven jonge mannen en jonge vrouwen de doolhof binnen. Theus de zoon van de koning van Athene wou hier een einde aan maken. Hij plaatste zich aan het hoofd van de rij van de slachtoffers. Ariadne, de dochter van de koning van Kreta was onder indruk van het edele voorkomen van Theus. Zij gaf hem in het verdoken een zwaard en een kluwen draad. Zo kon hij het monster doden en daarna met de draad terug de uitgang vinden. Zo werden ze allemaal gered.

De esoterische verklaring van deze mythe. De mannen en vrouwen symboliseren de mens die moet incarneren. De zeven verwijst naar de zeven ronden, planeten, rassen, enz.. Het leven op aarde is als een doolhof waarin de mens dikwijls niet weet waarin of waaruit. Hij weet niet hoe hij zijn leven moet leiden, hoe hij uit de doolhof van het leven moet geraken naar de bevrijding uit deze stoffelijke incarnaties. Door de ‘leiddraad’, de ‘draad’ tussen de hogere triade en de persoonlijkheid van dit leven kan hij de weg terug vinden naar de goddelijke monade. In de theosofie noemt men dit de “Zilveren koord”, dit is de levensdraad tussen de onsterfelijke monade en de persoonlijkheid bij elke nieuwe incarnatie (als deze draad doorbroken is kent met de stoffelijke dood op aarde). Dit is de innerlijke schakel tussen het lager en het hoger bewustzijn. Door deze draad die de brug vormt en de kloof tussen de hogere en de lagere natuur overspant, zal hij de weg terugvinden. Het monster half mens en half dier, geeft de dualiteit van de mens weer. Het hogere in de mens moet het lagere overstijgen en zich langs de ‘draad’ naar omhoog verheffen naar de goddelijke triade.

3. DE ZEVEN TREDEN
Deze zeven treden herhalen zich steeds op een hoger niveau en bestaan ook op een lager niveau. Wij bespreken hier uitsluitend de ‘trap’ met zeven ‘treden’ van de mens. We beginnen op de plaats waar wij ons nu als mens bevinden, dit is de vijfde trede omdat we in het vijfde ras zijn. We zullen ons dus beperken tot de menselijke cyclus, dus niet datgene wat zich onder ons bevindt zoals de dieren of boven ons zoals de dhyan-chohans.

  • 1) We zijn nu in het vijfde ras in de evolutie op onze planeet aarde. Dit is op de 5de trede van de evolutie van de rassen. Er komen nog twee nieuwe rassen.
  • 2) Op de planeet aarde van de zeven planeten zitten we op de 4de planeet. We hebben dus in deze ronde reeds drie planeten doorlopen en zijn juist iets over de helft (het vijfde ras) en moeten nog op drie planeten evolueren, dit is samen zeven.
  • 3) De ronde waarin we nu evolueren is de vierde ronde van de zeven. We moeten dus nog drie planeten van deze ronde doorlopen en nog drie volle ronden daarna.
    Samengevat hebben we dan: Bij het 1ste niveau van de rassen is het de 5de trede. Bij het 2de niveau van de planeten, is het de 4de trede, Bij het 3de niveau van de ronden de 4de trede. In het geheel zitten we juist iets over de helft, d.i. vanaf het 5de ras en beginnen hierdoor aan de stijgende boog. De Meesters zitten meestal op het niveau van de vijfde ronde. De grote massa werkt zich nu op naar het vijfde ras (er is nog maar een deel hier aan toe).

Reflecties bij deze indeling. Alle pelgrims gaan naar het punt waar een ‘uiteindelijke beslissing’ moet worden genomen. Dit is in het vijfde ras, in de volgende ronde, op de vijfde planeet (cf. G. A. Barborka, Deel II). Indien de pelgrim daartoe niet bekwaam is, omdat hij niet op het nodige niveau van innerlijke evolutie is gekomen, moet hij voor de rest van dit manvantara in een onbewuste toestand wachten en zal in een volgend manvantara terug worden opgenomen. Het tijdstip waarop deze definitieve beslissing moet worden genomen is nog heel veraf. Het is de helft van de volgende ronde. Dit betekent nog de helft van deze ronde en de helft van de volgende ronde. Twee halve ronden zijn één volle ronde en dit is 617 miljoen jaar. We kunnen ons dit nauwelijks voorstellen maar het moment komt er wel.

Indien we ons nog op het pad van de zwerver bevinden komt er toch een bepaalde periode waar we stilaan moeten veranderen, want het inzicht en de motivering om te kiezen voor het doelbewuste pad komt niet zo maar plots uit de lucht gevallen en duurt een lange periode van spirituele evolutie. Het hangt alleen van de mens zelf af. Deze hoogste en uiteindelijke beslissing wordt opgebouwd uit vele kleine beslissingen die dan stilaan leiden naar een nieuwe levenswijze en innerlijke transformatie. Zo komt men stilaan op het doelbewuste pad, dat een lange periode van evolutie inhoudt. Men zal dan hopelijk ver genoeg staan op het cruciale moment van de beslissing voor dit manvantara.

Het is dus best niet te blijven uitstellen, want de tijd na de keuze voor het doelbewuste pad kent ook een lange evolutieperiode tot we voldoende geëvolueerd zijn. Ons niveau zal dan op het cruciale moment potentieel en na talloze incarnaties (in de loop van miljoenen jaren) voldoende hoog zijn om in dit manvantara verder te evolueren naar een trap hoger, nl. naar dat van een Dyan-chohan die weer zijn zeven treden van evolutie kent en zo eindeloos verder. De Meesters verzekeren ons dat diegenen die slagen op dit cruciale moment, bijna allemaal verder evolueren naar de verlichting als Dyan-Chohan. Daar de mens een vrije wil heeft blijft een terugval steeds mogelijk.

4. DE STER VAN WIE U DE STRAAL BENT
“Vestig de blik van uw ziel op de ster, van wie u de straal bent, de schitterende ster, die schittert binnen de lichtloze diepten van het Eeuwige Zijn, de onbegrensde velden van het onbekende” (Uit “De Stem van de Stilte, 46).

Wat een prachtige gedachte, verbonden te zijn met een ster! Alleen al de gedachte dat men verbonden is met zulk een bovenaardse pracht vervult ons met eerbied. Er is de mogelijkheid om aan de oorsprong van deze straal – een hoger goddelijk wezen – gelijk te worden. Eens in de verre toekomst kunnen wij op dezelfde wijze als dit wezen, vanuit de onbegrensde velden van het onbekende, de evoluerende monaden helpen. Na deze woorden in de bovenstaande tekst wordt er nog in “De stem van de Stilte” het volgende toegevoegd: “Elke monade is volgens de esoterische leer een straal van een Planeetgeest” Het is dus wel een goddelijk wezen dat met ons verbonden is en ons helpt als we er voor open staan. In de volksmond wordt dit onze “Engelbewaarder” genoemd. Deze planeetgeest is ook een ‘kind’ van een hogere entiteit en zo steeds ‘hoger’.

De ‘Kosmische Logos’ (d.i. Paramatma, de immanente godheid van het universum) is de bron van alle monaden of goddelijke wezens in ons universum. Het is een wezen op het goddelijk niveau van een planeetgeest (dit is vanaf het niveau van een Dhyan-chohan en hoger) dat ons verder zal helpen om te evolueren en in éénheid met ‘Hem’ naar het niveau boven de mens. De entiteit van de ‘ster’ is niet de astrologische ster die binnen de astrologie bekend is. “

De Geheime Leer” geeft hier een duidelijk inzicht: “De ster waaronder een menselijk wezen wordt geboren, zal steeds zijn ster blijven gedurende de gehele kringloop van zijn incarnaties in één manvantara. Doch dit is niet zijn astrologische ster. Deze laatste heeft slechts betrekking op en staat in verband met de persoonlijkheid, (dit is slechts voor één leven) de eerstgenoemde (de planeetgeest, onze engelbewaarder) staat in verband met de individualiteit. De engel van die ster of de daarmee verbonden Dhyan-Chohan zal de leidende of besturende ‘Engel’ (de Engel voor de gehele kringloop, pers.) zijn bij elke nieuwe geboorte van de monade. Deze engel maakt deel uit van het innerlijk wezen. Dit kan aan het voertuig van de mens onbekend blijven. (Er kan bij een groeiende spirituele evolutie, een steeds grotere resonantie ontstaan die men altijd sterker kan ervaren. Pers.). Bij de laatste en hoogste inwijding zal men deze entiteit leren kennen, wanneer wij van aangezicht tot aangezicht, tegenover het schitterende beeld worden geplaatst. (Fr. I 469- 470).

5. DE VIER GRADEN VAN INWIJDING
Het voorbereidende stadium tot inwijding wordt in de exoterische werken van het Boeddhisme uiteengezet. Dit onderwerp is nauw verbonden met de leer van de vier paden, aangezien het doel van de inwijding is, de geestelijke evolutie van de mens te versnellen. Dit is niet hetzelfde als de vier paden (zie par. 2) waarvan hierboven sprake is. Wanneer de monade de inwijdingen heeft doorlopen heeft zij het punt van ontwikkeling bereikt waar zij heel doelbewust haar keuze naar het hogere wil verder zetten.
In de poëtische beeldtaal van de Boeddhistische wijsbegeerte moet men om de status van een Boeddha te bereiken, eerst de ‘stroom ingaan’. Deze leidt naar de ‘Oceaan van Kennis’, zoals Nirvana dikwijls wordt genoemd. Wanneer men de stroom is ingegaan kan men inderdaad vooruitgang maken op de weg naar het Nirvana. De toestand van ‘het ingaan in de stroom’, wordt in de dichterlijk taal van “De Stem van de Stilte” van Blavatsky, aldus beschreven.

“Zeg hem de kandidaat, dat hij de hoogmoed moet opgeven. De volmaaktheid mag nog ver in het verschiet liggen, de eerste stap is gezet, de voet staat in de stroom. Hij kan dan het gezicht van de bergarend en het gehoor van de schuwe hinde verwerven. O vurig verlangende, oprechte toewijding zal u de kennis brengen. Het deva-oog en het deva-gehoor worden echter niet in één kort leven verkregen. Uit “De Stem van de Silte”)

5. 1. De status van een Arhat of leerling.
Het deva-oog en deva-gehoor kan men aanzien als een geestelijke helderziendheid en helderhorendheid. Het toppunt van dit ‘zien’ wordt bereikt wanneer de Arhat (leerling) zich de toestand van een ‘onbegrensd gezichtsvermogen’ verwerft, dit is wanneer hij de vierde ‘vrucht’ of graad heeft bereikt. Het is het bovenmenselijk gezichtsvermogen.

“ Aan een Arhat wordt de macht toegeschreven op een afstand alles even goed te ‘zien’ en alles te weten als op een andere plaats” ‘Stem van de stilte’

 

De status van een Arhat en de volledige cyclus van inwijding wordt beschreven in het vervolg van hetzelfde citaat, waarin een uitleg wordt gegeven over sloka 7 van de Stanza VI:

“Hoewel de Arhat het verleden, het heden en de toekomst kan zien, is hij nog niet de hoogste ingewijde, want de Adept of de ingewijde kandidaat, wordt zelf chela (leerling) van een hogere ingewijde. De Arhat, die de top van de ladder van het Arhatschap wil bereiken, moet nog drie hogere graden verwerven (hij heeft er dus reeds één gekregen). Er zijn er die dit in ons vijfde ras hebben bereikt. De eigenschappen benodigd voor het verwerven voor deze hogere graden zullen bij de asceet echter eerst in volle ontwikkeling komen tegen het eind van dit wortelras en nog verder in het zesde en zevende wortelras. Tegen het eind van dit kleine manvantara, de tegenwoordige levenskring (d.i. onze vierde ronde) zullen er dus altijd ingewijden en profanen zijn. De hoogste Arhats, deze van de zevende sport (dit is het niveau van het 7de ras) zijn slechts één stap verwijderd van de ‘Wortelbasis’ (Mahatmans of Meesters, zie meer uitleg verder). Dit zij de hoogste van onze Aardketen.” Fr. I 159.

5. 2. Hogere vermogens nodig voor het krijgen van inwijdingen.
Dit kleine Manvantara – de tegenwoordige levenskring – betekent het einde van het zevende ras op het einde van de vierde ronde op deze bol (bol D). Daar de vierde ronde zal voortgezet worden op de hogere bollen van de planeetketen van de aarde, ligt het voor de hand dat het woord ‘kleine’ enige nadruk krijgt. Dit wortelras, ons vijfde wortelras, zal gevolgd worden door het zesde, waarop weer het zevende zal volgen. Elk zal hogere vermogens ontwikkelen dan die welke in het tegenwoordige ras ontwikkeld worden. Deze vier graden van inwijding worden in de exoterische werken van het Boeddhisme, of meer gepopulariseerde versie, voorgesteld alsof het mogelijk is het doel op een snelle manier te bereiken. Zij die al enige vooruitgang gemaakt hebben op het ‘pad naar nirvana’, kan men terecht beschouwen als de ‘Oudere Broeders’ van de mensheid, de Mahatmans of Meesters. Zij hebben zeker al inwijdingen doorgemaakt. Alles schijnt er echter op te wijzen, dat er nog wat meer bij komt kijken dan men in de exoterische literatuur vindt.

“Het voornaamste doel van onze strijd en inwijdingen is éénwording te bereiken terwijl we nog op deze aarde zijn. (Meesters aan Sinnett).

Deze éénwording kunnen we als volgt beschrijven: “de individualiteit moet om haar zevenvoudige neerwaartse en opwaartse loop met succes te kunnen volbrengen, meer opgaan in de goddelijke levenskracht van de monade (de hogere triade) dan in het lagere manas, kama en zijn stoffelijk lichaam. Men moet totaal met het hogere samensmelten. Dit is wat wij moeten bereiken bij het einde van onze grote cyclus van de zeven ronden in ons manvantara.” (Samenvatting van een tekst van De Meester aan Sinnett.)

6. WIE IS EEN BOEDDHA?
Een volledig geëvolueerde Boeddha betekent een ontwikkeling die vergelijkbaar is met wat zal gebeuren aan het einde van de zesde ronde, wanneer het Buddhi-beginsel bij velen volledig zal ontwikkeld zijn. (De ‘achterblijvers’ zijn er reeds uitgehaald in de vijfde ronde).Vanuit het standpunt van de ontwikkeling van de vierde ronde – stadium van de huidige mensheid – is het functioneren van de invloed van Buddhi (het 2de beginsel van bovenaf), een voorbereiding om een Boeddha te worden.

Het woordje ‘Buddhi’ heeft dus wel iets te maken met het Boeddhaschap. Dit is uiteraard zo, omdat dit beginsel het hoogste aspect is (na de monade) van de mens. Deze verklaringen en onderscheidingen zijn slechts om er te kunnen over spreken. In werkelijkheid is er een totale eenheid in de hogere triade. Het Sanskriet woord Boeddha betekent: een ‘ontwaakte’ of een ‘verlichte’. Zo is dus iemand die op die wijze is ontwaakt, iemand die werkzaam kan zijn in zijn buddhi-beginsel. Dit gebeurt eerst met tussenpozen. Dan krijgt men een grotere bedrevenheid om deze vermogens te benutten, tenslotte kan men ze in al hun kracht gebruiken.

Blavatsky geeft een prachtige samenvatting van de toestand van het boeddhaschap: “Om de hoogste graad van het boeddhaschap te bereiken, moet men de slavernij van de zinnen en de persoonlijkheid van zich afschudden. Men moet de monade kunnen waarnemen en leren ze te scheiden van de lagere beginselen. Men moet door ervaring leren hoe absoluut onwerkelijk de verschijnselen van de zichtbare kosmos zijn. Men moet leren zich geheel en al los te maken van alles wat voorbijgaand en eindig is. En, hoewel nog op de aarde, te leren alleen in het onsterfelijke en immerdurende te leven, in een bovenaardse toestand van heiligheid.” (Theos. Glos. Onder Buddhi).

6. 1. Het Buddhi-beginsel.
Deze bovenstaande tekst kan men ‘boven zijn bed’ hangen!! Daar moeten wij stilaan naar evolueren. Dit bereikt men wanneer men het buddhi-beginsel activeert door middel van het hoger manas, dit is door zich steeds meer te richten op hogere spirituele en nobele waarden. Dit alles en nog meer bereikt men wanneer het buddhisch beginsel wordt geactiveerd door middel van het manas-beginsel,…

“Want die opperste kracht van het hoger manas verblijft in het buddhi latent wanneer het met Atman gehuwd is. Maar het wordt werkzaam en onweerstaanbaar wakker wanneer het wordt ‘gegalvaniseerd’ (opgewekt of geactiveerd) door het innerlijk wezen van het hoger manas.” (Brieven van de Meesters aan Sinnett).

In verband met het bereiken van het Buddhaschap en het functioneren van het zesde beginsel, buddhi, nog het volgende: “Doorgrond de aard en het inwezen (de kern) van het zesde beginsel van het heelal en van de mens en gij zult het grootste geheim van onze wereld hebben doorgrond”.

Een aanwijzing omtrent één van de geheimen dat verband houdt met het buddhisch beginsel kunnen we vinden in “De sleutel tot de theosofie”.

“Deze laatste nu (Buddhi) verbergt een geheimenis, welke aan niemand ooit geopenbaard wordt, uitgezonderd aan hen die door onherroepelijk geloften gebonden zijn, zoals de Chelas, of tenminste hen, die men ten volle kan vertrouwen. Er zou natuurlijk minder verwarring zijn als het maar kon worden meegedeeld, doch daar het rechtstreeks in verband staat met het vermogen om naar willekeur en bewust het dubbel te projecteren, en deze gave evenals de “Ring van Gyges (zie uitleg verder) voor de mens in het algemeen en voor de bezitter in het bijzonder, zeer noodlottig zou kunnen zijn, wordt het daarom zorgvuldig geheim gehouden”

De “Ring van Gyges” heeft betrekking op de Griekse mythologie. Het vertelt het verhaal van Gyges, de koning van Lydia: hij bezat een magische ring. Deze ring werd als magisch beschouwd, daar hij de unieke eigenschap had de drager ervan onzichtbaar te maken. Gyges gebruikte de kracht van deze ring om zijn voorganger, Candalus, te vermoorden. Het is ‘zogezegd’ maar een mythe, maar met een achterliggende betekenis. Men kan sommige krachten zo maar niet in de handen geven van slechte mensen die ze kunnen misbruiken.

7. BEDOELING VAN DE INWIJDINGEN
De reden voor het ondergaan van inwijdingen is, dat men zich tot doel heeft gesteld bewustzijn te verkrijgen in en samen te werken met zijn hogere beginselen.

“De graden van inwijding van een adept geven de zeven stadia aan waarop hij het geheim van de zevenvoudige beginselen in de natuur en in de mens ontdekt en zijn sluimerende vermogens tot ontwikkeling kan brengen.”

Daar de mens beschouwd wordt als een Saptaparna, een ‘zevenbladige plant’, kan men stellen, dat elke inwijding correspondeert met het ontwikkelen van een blad, of een beginsel in al zijn zevenvoudige aspecten. Er zijn dus zowel grote als kleine inwijdingen. Wanneer de zeven bladen geheel ontvouwen of ontwikkeld zullen zijn, zullen de 49 vuren ontwaakt of ontstoken zijn. Zeven aspecten in elk van de zeven beginselen is 49.

7. 1 Voorbereidende stadia tot de inwijdingen.
Tot nu schonken wij aandacht aan de inwijding zelf, maar welke zijn de voorbereidende stadia daartoe? Er moet een manier zijn om de reis op het pad te beginnen, of om een Boeddhistische gelijkenis te gebruiken, “De stroom in te gaan”. Welke zijn de vereisten wanneer men de stroom wil ingaan? Men kan altijd de eerste stap op deze weg zetten, en daarop kunnen dan een aantal stappen volgen. Maar om vooruit te komen moet die eerste stap gezet worden. Voor deze stap: 1. moet er een groot verlangen zijn, 2. een sterke motivering en 3. een vast besluit.

Men kan hiervoor aanwijzingen vinden in het boek van de “Gulden voorschriften”. De “Gulden Voorschriften” worden aangehaald in “De stem van de Stilte”.’Het verband is duidelijk met de ‘Leer van de twee paden’. De leer komt uit de Stanzas van het “Boek van Dzyan”, (een zeer oud Tibetaans geschrift) welke ook aan de grondslag ligt van “De Geheime Leer” (aldus in de “Gulden voorschriften).

Men moet “De stem van de Stilte” samen met “De Geheime Leer” bestuderen. Blavatsky wou hierin praktische raadgevingen geven voor het dagelijkse leven. Dit wou zij doen in een vierde deel van “De Geheime Leer”, dat helaas nooit is kunnen verschijnen.

7. 2. Wat moeten wij concreet doen?
“Dood uw begeerten Lanoe (Lanoe is het ‘beeld’ van de leerling van een Meester) maak uw ondeugden machteloos, voordat de eerste stap op de plechtige tocht wordt gedaan.” Idem

Maar deze raad lijkt in de ogen van de aspirant leerling (Lanoe) naïef. Misschien hunkert deze naar een mysterieus rituaal en stelt zich voor dat hij daar een beproeving moet ondergaan, alvorens hij de reis kan aanvangen. Men moet zich in de eerste plaats voorbereiden met ‘eigen’ verstand en hart, zonder zichzelf daarbij te bedriegen. Dit veronderstelt dus dat men reeds een zeer goed onderscheidingsvermogen heeft ontwikkeld door studie en toepassing in het dagelijkse leven.

Verder lezen wij: “Worstel met uw onreine gedachten, eer ze u overweldigen. Doe met hen wat zij met u willen doen. Als gij ze ontziet zullen zij wortel schieten en groeien. Weet dan dat deze gedachten u zullen overmeesteren. Wees op uw hoede, discipel, duld niet dat zelfs hun schaduw u benadert. Zij zullen wassen in omvang en in macht toenemen en zullen uw wezen in hun duisternis verzwelgen eer gij u van de aanwezigheid van deze onreine monsters ten volle zult bewust worden.” Idem.

7. 3. Een wetenschappelijke bedenking hierbij.
In essentie komt het neer op het feit dat de hersenen van een volwassen mens heel plastisch zijn. Wanneer wij een handeling of een gedachte steeds door onze wil veranderen zoals wij het door ons inzicht willen, dan zullen er nieuwe neuronenbanen ontstaan. De oude banen, die wij willen veranderen, zullen integendeel steeds verzwakken. Dit wil zeggen dat het in de toekomst steeds gemakkelijker wordt de gedachten te hebben en de handelingen te stellen die wij echt willen, omdat de stimulans vanuit de hersenen steeds sterker wordt. Tot hier deze bedenking.

7. 4. Lijken die raadgevingen overdreven?
Lijkt dit beeld uit “De stem van de Stilte” (zie hierboven) niet overdreven? In nog dramatischer bewoordingen wordt beschreven wat de leerling te wachten staat, wanneer hij zijn gedachten niet beheerst, omdat het tot ondeugd leidt:

“Er is maar één weg naar het Pad, en enkel aan het einde ervan kan ‘De Stem van de Stilte’ gehoord worden. De ladder, waarlangs de leerling opklimt, wordt door sporten van leed en pijn gevormd. Enkel door de stem der deugd kunnen deze worden weggenomen. Wee u dan, discipel, zo gij nog een enkele ondeugd met u meedraagt. De ladder zal dan uitwijken en u omverwerpen. Haar voet rust in het diepe slijk van zonden en verkeerde handelingen en eer gij de afgrond der stof kunt oversteken moet gij uw voeten wassen in de ‘Wateren van Onthouding’. Zet geen bezoedelde voet op de onderste sport van de ladder. Wee hem, die zelfs maar één trede met beslijkte voeten durft verontreinigen. De vuile, kleverige modder zal drogen, taai worden en uw voeten vasthechten. Evenals een vogel in de lijm van de vogelaar wordt gevangen, zult gij in uw verdere voortgang gestuit worden. De ondeugden zullen vorm aannemen en u omlaag trekken. Uw zonden zullen hun stem verheffen als de lach en de snik van de jakhals na het ondergaan van de zon. Uw verkeerde gedachten zullen een soort leger vormen, die u als een gevangene zullen wegvoeren.” Uit “De Stem van de Stilte”.

7. 5. Hoe moet men dan met zijn gedachten worstelen?
“Breng uw gedachten tot stilzwijgen en vestig al uw aandacht op uw Meester, die ge nog niet kunt zien, maar wel kunt voelen” Idem.

‘Meester’ wil hier zeggen uw Hoger zelf, dit is onze hogere triade, de monade of God zelf in ons aanwezig. Het ‘Hoger Zelf’ is een term dat door de Chelas of leerlingen wordt gebruikt. Lijken deze vereisten te moeilijk om er mee te beginnen? Er worden echter ook bemoedigende woorden gegeven, die tonen dat de pogingen niet zonder resultaat zullen zijn.

“Leer dat geen enkele poging, hoe gering ook, hetzij in kwade of goede richting, uit de wereld van de oorzaken kan verdwijnen. Zelfs de rook die zich heeft verspreid laat nog een spoor na. Een hard woord in vorige levens uitgesproken, wordt niet vernietigd, maar keert steeds terug.”

Bemerking. Reeds Horatius sprak hierover in zijn “Ars Poëtica”. “ Een eenmaal gesproken woord kan nooit herroepen worden” In Matheus staat: “Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan”

7. 6. De karmische wetmatigheid, verwoord in “De Stem van de Stilte”.
“De peperplant zal geen rozen voortbrengen, noch zal de jasmijn doornen of distels geven. Gij kunt in het heden (in dit leven, nu) uw kansen voor morgen scheppen. Gij kunt in deze ronde (er staat ‘Reis’) oorzaken voortbrengen, elk moment kunt u ze zaaien, die zullen hun oogst van gevolgen kennen. Dit komt omdat ‘Absoluut Recht’ de wereld leidt.”
Een bedenking hierbij. Er bestaat een absolute inherente rechtvaardigheid in deze wereld, in geheel onze cyclus waar we nu in verblijven en in geheel het kosmisch gebeuren. Dit is het fundamentele gedachtegoed van de theosofie en de esoterische wijsheid in het algemeen. Hiermee valt of staat de gehele vooropstelling van de Theosofie. (Pers.) Vervolg nu van de tekst uit “De Stem van de Stilte”.

“Met de machtige golfslag van nimmer falend handelen brengt het de mens in zijn leven geluk of leed, het is het karmische kroost van onze vroegere gedachten en daden. Neem dan aan waar gij verdienste en recht op hebt en wees geduldig in uw hart door het te aanvaarden. Wees tevreden met uw levensomstandigheden. Het is uw karma, het karma van uw kring van geboorten met geluk en leed. Zo van leven tot leven, beurtelings, met geluk of tegenslag, gebonden aan uw vroegere daden in vorige levens. “De stem van de Stilte” (vrij vertolkt).

Zolang de karmische gevolgen niet zijn uitgewerkt, is men geketend aan vroegere daden. Wat kunnen wij daar aan verhelpen? Een korte zin slechts, maar deze houdt een wereld van beloften in. ‘Begin met kleine daden die ge nu aankunt’, één voor één en ga zo verder. Het zal stilaan een gewoonte worden en een levenshouding.
Een aanhaling uit de cursus in verband met de logische gang in het gedrag van de mens.
Elke handeling begint met een gedachte (1). Een gedachte wordt een daad (2). Een daad veel herhaald wordt een gewoonte (3). Een gewoonte wordt een karakter-eigenschap (4). Karaktereigenschappen vormen de levensomstandigheden (5). Deze vormen tenslotte het decor voor dit en de volgende incarnaties (6) met kansen en beproevingen. Onze incarnaties leiden ons uiteindelijk naar de bevrijding (7). Tot hier uit de cursus blz.36.
(Vervolg van de lopende tekst na deze aanhaling). Vorig negatief karma zal door eigen initiatief verminderen en u schept uiteraard geen nieuw slecht karma. Zorg dat de weegschaal steeds meer doorweegt naar het goede en het geestelijke. Denk er dus aan dat het heden de basis vormt voor de toekomst. De vooruitgang van de leerling hangt helemaal af van zijn eigen inspanning.

Hoe ver het ‘Verborgen Pad’ ook moge schijnen, het is mogelijk en het is best dat je nu bewust de beslissing neemt en er aan begint. “Gij kunt het Pad niet bewandelen, alvorens gij zelf het Pad bent geworden.”

Dit wil zeggen dat het spiritueel doelbewust leven voor u het allerbelangrijkste is, echter zonder afbreuk te doen aan uw dharmische verplichtingen. Al de rest is dan secundair, voorbijgaand en slechts in functie van en ondergeschikt aan het spiritueel ideaal. Met andere woorden, het is een praktisch toepassen van het maya-principe of het dagelijks beleven van het voorbijgaande karakter van deze stoffelijke wereld. Gij streeft dus niet alleen naar verlichting maar gij leeft in deze wereld gradueel steeds meer als verlichte, u bent het pad zelf met de naam ‘ontwaakte’, waar gij samen met anderen steeds verder op kunt gaan tot aan de ‘Poort van het Nirvana’. U moet dus niet wachten tot u in het nirvana bent om in een toestand van verlichting te zijn, leef nu in verlichting, dan bent u zelf al het pad.

8. DE GEWADEN VAN HOGERE WEZENS
“Treed uit het zonlicht in de schaduw om meer plaats aan anderen te geven. De tranen, die de verzengde bodem van leed en smart besproeien, zullen bloesems en vruchten van karmisch gevolg voortbrengen. Uit de oven van een geestelijk menselijk leven stijgt de zuivere rook op en vlammen met de wieken van engelen. Het zijn gelouterde vlammen die, onder het kosmisch oog zwevend op het einde de verheerlijkte fijne draden zullen zijn, waaruit uw gewaad in het nirvana wordt geweven.” (Uit “De Stem van de Stilte”, vrij vertolkt).

“Bepaalde monaden die de toestand bereikt hebben om het nirvana te betreden doen voorlopig (tot het einde van onze cyclus, dit is op het einde van de zevende ronde bij het einde van het zevende ras) afstand van deze gelukzalige toestand om de mensheid verder bij te staan. Men noemt hen “Nirmanakayas”. (Zie hieronder meer uitleg over deze monaden) Zij laten hun grofstoffelijk lichaam achter (ze zijn dus onzichtbaar) en behouden de andere beginselen, behalve het kama en dus ook hun stoffelijk lichaam behouden ze niet. Zij verkiezen dus het leven van zelfopoffering tot aan het einde van onze cyclus. Zo kunnen zij de mensheid onzichtbaar helpen, maar wel zeer effectief.” Uit “Theosofisch Glossalarium” onder ‘Nirmanakaya’. Deze tekst is vrij vertolkt.

8.1. Nirmanakaya. Dit heeft taalkundig de betekenis van ‘Gevormd Lichaam’. Een nirmanakaya is in feite een toestand, die een bodhisattva (dus die twee namen slaan op hetzelfde) aanneemt of ingaat. Dit is een ‘halfgoddelijk’ geworden mens, die in plaats van te kiezen voor zijn beloning in het nirvana op aarde blijft uit mededogen met de lager staande wezens. Hij hult zich hiervoor in het nirmanakaya- kleed. Het is iemand die op het bestaansgebied leeft dat onmiddellijk boven het stoffelijk gebied ligt. Het is zijn bedoeling de mensen tegen zichzelf te beschermen. Hij is voortdurend bij hen met gedachten van zelfopoffering, zelfvergetelheid en van geestelijke en morele schoonheid. Hij geeft de mensen hulp door onbegrensd mededogen. De nirmanakaya-toestand stelt hem in staat in verbondenheid met de wereld van de mens te leven. Hij is zich bewust van de wereld van de mens en hun leed en zorgen. Hij kan de mens echter alleen maar helpen voor alles wat zuiver en heilig is en dus niet voor wereldse zaken. Uit “Occulte Woordentolk”, G. de Purucker.

We kunnen hieruit besluiten dat we zeker door hen zullen geholpen worden als we onbaatzuchtig leven om onze medemensen te helpen en op de eerste plaats als we hen tot spiritueel inzicht brengen daar waar het mogelijk is.

Een verdere beschrijving van het Nirmanakaya vinden we in “De stem van de Stilte”.

“Het Nirmanakaya Kleed is de etherische vorm, die iemand aanneemt als hij na zijn stoffelijk lichaam te hebben verlaten in zijn astraal lichaam kan verschijnen en alle kennis van een Adept bezit. Hij is onzichtbaar voor de oningewijde mensheid, maar hij blijft over haar waken en haar beschermen.”

Deze ‘bescherming’ is op het geestelijke vlak in de opgang naar bevrijding van de mens en ook nooit door ingrijpen in de vrije wil. Hoe moeten wij anders het woord ‘bescherming’ begrijpen zonder deze beperking hier vermeld, met al de catastrofen en het lijden dat wij kennen in onze wereld.

“De esoterische school leert, dat Gautama Boeddha evenals verscheidene van zijn Arhats, Nirmanakayas zijn, en één van de hoogste die bekend zijn is Boeddha wegens de grote zelfverzaking en het offer, aan de mensheid gebracht. Iedereen krijgt bij de dood een (nieuw) astraal lichaam, het kama-rupa in het kama-loka. Dit is echter niet hetzelfde kleed als dat van de Adept die kiest voor het Nirmanakaya-kleed. Bij de ‘gewone’ mens ontbindt het kamarupa zich vóór de mens naar de devachan overgaat.

“De Adept die de keuze maakt om aan de rust van het nirvana te verzaken om de mensheid verder te helpen, kan dit op twee manieren. Hij kan het door zijn astraal lichaam desgewenst soms tijdelijk tot een stoffelijke verschijning te verdichten en dezelfde persoonlijkheid weer aan te nemen. Hij kan zich ook van een geheel nieuw stoffelijk lichaam bedienen, hetzij dat van een pasgeboren kind, of door een verlaten omhulsel te betrekken, zoals Sankaracharya met het lichaam van een dode ingewijde of hoge ziel heet gedaan te hebben. Hij kan daarin leven zolang hij dit verkiest. III 68-69.

Bij het betreden van het Nirvana ontbinden de lagere beginselen (zoals ook in de devachan) en daarmee uiteraard ook de persoonlijkheid. Nirvana betekent letterlijk ‘uitblazen’ zoals de vertaling bij de Oriëntalisten luidt. Het is echter niet zo dat de (goddelijke) ‘Vonk’ wordt uitgeblazen zoals men het dikwijls in het Westen verkeerd interpreteert. Wanneer de ‘kaars’ op het stoffelijk gebied wordt gedoofd, is de ‘Vonk’ slechts van het stoffelijk gebied verdwenen. Zij zal uiteindelijk tot éénheid komen met haar ‘Goddelijke Vlam’ op het einde van onze cyclus. Dit is op het einde van de zevende ronde, dit duurt dus nog heel lang. Het proces van wedergeboorte is voorbij, de mens is niet meer aan het wiel van wedergeboorte gebonden. Dan is de vrijwillige taak van de Nirmanakaya ook voorbij, daar onze cyclus dan is geëindigd. Hij zal dan ook als een ‘Dauwdruppel in de Oceaan glijden’ en de heerlijke gevolgen van zijn zelfopoffering mogen ervaren.

8. 2. Het begrip ‘Trikaya’ of de drie verheerlijkte gewaden.
Deze gewaden zijn 1. Nirmanakaya (uitvoerig besproken), 2. Sambhogakaya en 3. Darmakaya. Wat volgt, komt uit Theosofisch Gloss. Onder Trikaya.
“De drie gewaden zijn een symbool voor het geheim van het diepzinnig drievoudig metafysisch leerstuk van de werkelijkheid. In zijn eenvoudige vorm vinden we het terug in de menselijke entiteit met zijn drievoudige indeling in geest, ziel en lichaam. In het heelal als een eenheid die bestaat uit 1.een goddelijk zuiver geestelijk beginsel, 2. geestelijke bovennatuurlijke wezens, (dit is boven de stoffelijke natuur), dit zijn de directe stralen van het goddelijke zoals Dhyan-chohans en 3. de mensheid. Deze gegevens vinden we reeds in de voorhistorische esoterische wijsbegeerte, toen alleen bekend aan ingewijden. Dit grote pantheïstische idee (zie uitleg verder over dit éénheidsprincipe) van het onbekende en onkenbare Wezen bestaat uit zichzelf en heeft dus de oorzaak in zichzelf. Dit wezen (dat in zichzelf bestaat) emaneert eerst subjectief (geestelijk) en dan objectief in de materie zoals op onze planeet als een immanente werkelijkheid. Het ligt dus aan alle drievoudigheden ten grondslag.” Het is drievoudig, 1. Eerst zichzelf, 2. subjectief als Anupadaka, 3. objectief als immanent in het stoffelijk universum.

Uitleg PANTHEISME. In onze huidige tijd wordt ‘pantheïsme’ meestal atheïstisch geïnterpreteerd. Spinoza (1632-1677) ligt aan de basis van het pantheïsme. Volgens Spinoza is er slechts één ‘substantie’ en die kunnen we als de natuur of God opvatten. Het atheïsme legt uit, dat hetgeen wat wij als ‘God’ benoemen volledig en uitsluitend samenvalt met het stoffelijk heelal en er daarnaast geen enkele andere geestelijke dimensie bestaat. Spiritueel ingestelde mensen stellen echter voorop dat een immanente goddelijke essentie aanwezig is in het universum. Theosofen noemen dit goddelijke, het ‘Paramatma’ een emanatie van Adi, het Onkenbare, met Anupadaka als tussenschakel. Wij zijn een vonk van deze goddelijke vlam of essentie van de kosmos. Wij stellen ook voorop dat er een absolute realiteit is die voorafgaat aan al het gemanifesteerde, zoals het in de “Geheime Leer” wordt geformuleerd. Dit is dus een diametraal verschil met de pure atheïstische interpretatie, maar wordt op een slordige manier dikwijls door elkaar gebruikt.

 

We gaan verder met de doorlopende tekst.
“In het Noordelijk Boeddhisme, kennen we dit als 1. Adi-Buddhi, dit is de oor- spronkelijke Universele wijsheid. 2.Dhyhan-Boeddhas (Bodhisattvas). 3. Manushi, menselijke boeddhas of menselijke wezens. In de Europese ideeën vinden we hetzelfde: God, engelen en mensen. In het Brahmanisme kennen we het drievoudig lichaam van Shiva. Het Shivaïsme is gevormd door dezelfde grondslag en komt quasi overeen met de esoterische leringen. Dit vindt men dus terug in het drievoudig lichaam van Nirmanakaya, Sambhogakaya en Darmakaya.”

In de oorspronkelijke filosofische idee kunnen we verwijzen naar het begrip van de drie Logoï in verband met de Kosmogenesis (ontstaan van de kosmos, beschreven in de “De Geheime Leer”). Het komt nauwkeurig overeen met de beschrijving van de Trikaya (de drievoudigheid). De eerste Logos (Adi) de ongeopenbaarde, komt overeen met de Darmakaya toestand. De tweede Logos (Anupapadaka) die de noodzakelijke schakel vormt tussen de Ongeopenbaarde en de Geopenbaarde Logos is gelijk aan Sambhogakaya. De derde Logos, is het aspect van de scheppende kracht, dit is de geopenbaarde Logos (Paramatma) en vinden we terug in het Nirmanakaya. Dit onderwerp van de Logoï wordt later in de cursus nog besproken.

Als slot kunnen we herhalen dat beide paden leiden naar het doel. Het open pad geeft de reiziger onmiddellijke gelukzaligheid, het verborgen pad geeft uitgestelde zaligheid.

9. DE LEER VAN DE AVATARAS
De wet van mededogen is verbonden met de “Leer van de twee Paden”. Hij is verbonden met de leer van de Nirmanakayas die nirvana voorlopig verzaken. Deze leer vindt men in de gepopulariseerde vorm van alle godsdiensten terug. Dit beschrijft men dan meestal als de nederdaling van een God in menselijke vorm. Dit zien we bijvoorbeeld in het evangelie:

“God heeft de wereld zo lief gehad, dat hij zijn eniggeboren zoon gegeven heeft, opdat iedereen die in Hem gelooft, niet zou verloren gaan, maar het eeuwige leven zou verwerven”. (Joh. 3-16).

Het woord ‘eniggeboren’ met betrekking tot de zoon van God is een vertaling van het Griekse ‘Monogenes’. Deze term dateert van vóór de Christelijke jaartelling. Hij werd reeds gebruikt in de mysteriën van het Oude Griekenland. Het was in de Griekse mythologie een bijnaam voor Persephone, de dochter van Demeter. Van alle Hellenistische godinnen was Demeter het meest verbonden met de mysteriën van Eleusis. De Atheners bezagen alle gestorvenen met eerbied omdat zij nu naar het rijk van Demeter waren overgegaan.
In het Oosten vinden wij deze gedachte terug zowel in de gepopulariseerde als in de symbolische vorm. In de Bhagavad Gita wordt dit als volgt weergegeven.

“Ofschoon ikzelf ongeboren ben, het onvergankelijke Zelf en ook de Heer der schepselen en alhoewel ik mijn eigen Heelal beheers, ben ik toch geboren door mijn eigen kracht. Telkens wanneer er een verslapping van de Wet is en toeneming van wetteloosheid, zend ik mijzelf uit. Dit doe ik ter bescherming van de goeden en vernietiging van de bozen. Ter wille van het voortbestaan van het goede word ik geboren, tijdperk na tijdperk. Bhagavad Gita.

De goddelijke incarnatie heeft dus als bedoeling een spirituele en verstandelijke verandering in de mensen tot stand te brengen.

9. 1. Betekenis van het woord “Avatara”.
Het is een Sanskriet woord. Het is een samengesteld woord, ‘ava’ is ‘neer’ en ‘tara’ is een ‘doorgeven’ (naar beneden) of ook ‘neertransformeren’. Het wordt meestal vertaald als een goddelijke incarnatie.
In het Brahmanisme is dit de allesdoordringende ‘Goddelijke Geest’, die van tijd tot tijd op aarde nederdaalt om zijn goddelijke potentie als een regenererende kracht op de mensheid te laten inwerken.

9. 2. Wat is een Avatar eigenlijk? (uit “De Geheime Leer.”)
“Is hij (de zoon van) ‘God de Vader’? Is hij de ‘Volstrekte Oorzaak’ van alles, het ondoorgrondelijke Eeuwige? (Wij zouden zeggen ‘Adi’ pers.) Zeer zeker niet. Hij is de ‘oorzakelijke ziel’ die door de Hindoes in het algemeen Iswara wordt genoemd. Fr. III 400)

Misschien kunnen wij de term “oorzakelijke ziel” een zeer hoge straal van Paramatma noemen, de immanente godheid van ons universum. Een hoge straal kan de Logos van onze Centrale Geestelijk zon zijn bijvoorbeeld. Er is de Logos van onze planeet, die van onze zon, daarboven is er de Logos als verantwoordelijke van verscheidene zonnestelsels. Een dergelijk wezen of Logos en verantwoordelijke van vele sterren of zonnen wordt een ‘Keizerlijke Ster’ of ‘Raja Ster’ genoemd.

9. 3. Een Avatar is een heel bijzondere incarnatie.
Er zijn drie klassen van incarnaties.
1. Men heeft de natuurlijke opeenvolging van wedergeboorten van iedereen.
2. De incarnatie van monaden die reeds verlichting behalen maar als nirmanakaya verder incarneren om de mensheid bij te staan. Dit is in dit hoofdstuk besproken.
3. De goddelijke incarnaties, avatars genaamd.

Een Avatar heeft geen vorige of toekomstige incarnaties zoals wij dat nu kennen. Het is een uniek verschijnsel in die zin dat het heel uitzonderlijk is. Hij heeft echter steeds een zuiver intermediair lichaam nodig, bv. dat van een Nirmanakaya. Dit middel van tussenschakel kan dus verschaft worden door hoge zielen die reeds gerealiseerd zijn. Hieruit blijkt hoe belangrijk dus hun mededogen is. Door deze daad kan de goddelijke Avatar zich niet alleen openbaren, maar ook werkzaam zijn voor het welzijn van de mensheid. Dit verklaart de relatie tussen de leer van de Avataras en dat van de ‘Twee Paden’ in dit hoofdstuk behandeld.

Deze hoge ziel is de schakel tussen het hogere en het lagere. We weten uit de vorige paragraaf dat de nirmanakaya geen kamabeginsel meer heeft, dat zou niet kunnen uiteraard. Het hogere heeft wel steeds een upadhi (een voertuig) nodig om zich te kunnen manifesteren. Daarom zal de nirmanakaya hem een voertuig verschaffen zoals bijvoorbeeld een boeddha van mededogen soms doet opdat de zich belichamende godheid erdoorheen kan stralen. Wanneer de avatar de wereld verlaat valt het stoffelijk lichaam uiteen. De boeddha kan dan verder als een nirmanakaya de mensheid helpen.

Om in verbinding te treden met het levensgebied van de mens is dus een bijzonder, ver ontwikkeld en heilig intermediair voertuig nodig dat de goddelijke stroom naar beneden transformeert. De (historische) Heer Gautama de Boeddha was degene die zijn eigen psycho-spirituele voertuig verschafte aan de avatar Sankaracharya in India. Hij leefde een paar generaties na het heengaan van Gautama de Boeddha en werd in Zuid-India geboren. Hij was de bekendste hervormer van de orthodoxe (bekrompen) Indische religieuze filosofie. Hij was de stichter van de Avaita-school van de Vedanta. Deze school van de Avaita wordt aangehaald op blz. 1 van onze cursus van Patanjali. Dit is de meest algemeen gevolgde school van het hindoeïsme en de meest spirituele. Het is ook Boeddha die het intermediair voertuig verschafte aan Jezus de Christus.
Een kritisch onderzoek van beide toont tekenen van intellectuele identiteit. Elk had wel zijn eigen avatarisch werk, maar ondanks verschillen zijn er sterke punten van overeenkomst.

9. 4. Korte samenvatting van wat een Avatar is.
A. De avatar is samengesteld uit drie delen van duidelijk verschillende afkomst, maar verenigd om een avatarisch wezen te vormen.

  • 1. Het geestelijk-goddelijk deel. Wellicht moeilijk te definiëren wie of wat deze goddelijkheid is.
  • 2. De geleende tussennatuur. Dit is hierboven uitgelegd.
  • 3. Een karmisch zuiver menselijk astraal-vitaal- fysiek lichaam.

B. De avatar verschijnt op bepaalde cyclische momenten in de geschiedenis van de mensheid met het uitdrukkelijke doel een zo groot mogelijk spiritueel élan te brengen in de menselijke aangelegenheden.
C. De avatar heeft nu geen karma meer maar is ook een karmisch product zoals dit bij ons het geval is, dit ligt echter zeer ver in het verleden. Hij heeft dus als menselijke individualiteit nu geen verleden en zal ook geen toekomst hebben. Hij is een eeuwig goddelijk wezen. De Avatar Krishna bijvoorbeeld is een hoge zonnelogos, maar niet het absolute. Hij is dus ook het resultaat van evolutie en was in het verleden eens een mens zoals wij nu.

9. 5. ‘Kleinere’ Avatars.
Voorbeelden van ‘kleinere’ avatars zijn wat wij in de theosofie, boodschappers noemen. Het zijn vergevorderde mensen die door “De Grote Witte Broederschap” zijn uitgekozen de wereld in te gaan als hun vertegenwoordigers om een bepaald werk te verrichten onder de mensen. Men mag hen terecht ‘kleinere avatars’ noemen, omdat het ‘psychische gestel’ van deze wordt getraind om af en toe vrijwillig terzijde te treden om hun eigen natuurlijke plaats te laten innemen door de wil en de intelligentie van een van de grote leraren. Deze werkt dus tijdelijk langs de constitutie van de boodschapper.
Omdat de boodschapper door innerlijke inspiratie van de leraar wordt vervuld met het geestelijke vuur van een grotere ziel kan men de boodschapper terecht een (kleinere) avatar noemen.

Men kan het voorbeeld nemen van Blavatsky de hoofdstichtster van de theosofische vereniging. Veelal was zij zichzelf en in volle bezit van al haar vermogens en eigenschappen van haar normale constitutie. Maar soms werkte het veel grotere intellect van de leraar door haar heen. Hij drukte zich af op haar brein-verstand en dan sprak zij als een profetes, zoals het oude orakel van Delphi. Er waren andere momenten waarom ze – omdat zij hiervoor een training had ondergaan – door grote inspanning haar eigen psychische natuur kon verbinden met de straal van haar eigen monade. Het effect was soortgelijk maar niet helemaal identiek met de inspiratie die ze kreeg van een Meester. Blavatsky maakte zelf onderscheid tussen deze twee manieren van inspiratie door wat ze ‘H.P.B. en H.P. Blavatsky noemde. Iedereen kan een ‘kleine Avatar’ zijn door de instroming van het goddelijke in hem mogelijk te maken om het dan ook te kunnen doorgeven.

9. 6. Krishna als model om een Avatar beter te begrijpen.
(Deze tekst komt, met enkele uittreksels maar ook met eigen inbreng en sommige aanpassingen, van een artikel van Mary Anderson. Zij is woonachtig in Adyar en is Vicepresident van de Theosofische Vereniging).

Sri Krishna heeft geleefd ongeveer vijfduizend jaar geleden. Zijn leven heeft opmerkelijke gelijkenissen met het leven van andere avatars, bijvoorbeeld dat van Jezus: zoals de Onbevlekte Ontvangenis, het uitmoorden van onschuldigen, en sommige wonderen. Volgens Vivekananda (1863-1902, India, een van de belangrijkste Vedanta kenners uit de recente geschiedenis) kunnen er verscheidene Krishna’s zijn geweest die tot één geheel zijn samengevoegd. Deze aspecten en legenden hebben ons meer te vertellen als we nadenken over de symbolen en mythen en de lessen die ze voor ons hebben, dan wanneer wij al onze tijd verliezen in het opzoeken van de historiciteit.

Arjuna, de geliefde leerling van Krishna, is als ‘t ware het symbool van het kama-manas, de normale bewustzijnstoestand van de meeste mensen. Het zijn onze gedachten en gevoelens die ons voortdurend in verwarring brengen. Arjuna heeft een zeer intense, persoonlijke gehechtheid en band met zijn familie en vrienden van vroeger. Ze zijn nu echter een oorzaak van duisternis en willen de mensen onder een tirannie brengen. Het zijn in die zin nu zijn ‘vijanden’ en het is zijn plicht hen ten val te brengen om de mensen van deze tirannie te bevrijden.

Deze duivelse tirannieën hebben wij in de recente geschiedenis meermalen meegemaakt en zelfs nu (2017), zij het dat deze huidige op kleinere schaal zijn dan die van de eerste en tweede wereldoorlog en de wreedheden van Stalin die hij verder bleef uitvoeren. Deze innerlijke en uiterlijke strijd van Arjuna werd uitvoerig beschreven in het heldendicht van de Mahabharata waarvan de Bhagavad Gita een onderdeel is. Deze gehechtheid veroorzaakt bij hem smart en twijfel en wankelmoedigheid nopens de vraag wat hij moet doen. Daardoor ontstaat het onvermogen om te handelen. Ook wij ervaren soms deze gevoelens en weten niet wat te doen.  We lezen deze teksten in de prachtige dialogen tussen Arjuna en Krishna, o.a: hier de woorden van Krishna aan Arjuna:

“Verval niet tot ongepaste, lafhartige en onmannelijke weekheid, Arjuna. Laat varen deze kleinzielige lafheid en verrijs als onvervaarde vernietiger van het kwaad” Arjuna antwoordt:
“Ik ben uw volgeling en smeek u: geef mij zekerheid over wat te doen en te laten, licht mij in op het pad van Dharma. Het antwoord van Krishna is:
“U schreit om hen die uw tranen niet behoeven en getuigen uw droeve woorden van wijsheid? De wijze is niet bedroefd om de levenden, en rouwt niet om hen die sterven, want voorbijgaand is leven en dood.”

Krishna zelf symboliseert buddi-manas, het zuivere goddelijke denkvermogen, gekenmerkt door liefde, wijsheid en wil. Zijn liefde is zonder persoonlijke gehechtheid en daarom universeel. “Tegenover alle schepselen ben ik dezelfde, geen van hen is hatelijk noch dierbaar.” Aangezien hij niet onderworpen is aan de persoonlijke gehechtheid die Arjuna verblindt, ziet hij in zijn wijsheid precies wat gedaan moet worden. Dit heldere inzicht, het herkennen van de plicht, leidt tot onverschrokken moed, de wil tot handelen.
Krishna openbaart zich op verschillende wijzen: soms als de volmaakte mens, anderzijds als de avatar d.i. een logos of de goddelijke ‘vertegenwoordiging’ van het Absolute (Parabrahman) maar niet het Absoluut zijnde zelf, behalve in de betekenis waarin alle dingen in feite goddelijk zijn omwille van hun immanente goddelijkheid. Hij is dat, wat ieder van ons eens zal zijn. Hij heeft dus vele geboorten achter zich als mens, maar heeft geen karma zoals reeds beschreven, omdat dit punt van evolutie heel ver achter Hem ligt. Hij weet uiteraard zeer goed wie Hij is en Hij is zich hiervan bewust. Volgens Annie Besant is een Avatar een Logos van een wereldsysteem. Wat is dit? Dit kan de Logos zijn van een zon of een zonnestelsel zoals dat van een centrale zon van verschillende zonnestelsels. Een wereldsysteem kan nog hoger zijn zoals van een nog groter geheel van vele zonnen of zelfs een melkwegstelsel. Dit kunnen we echter uit de ons bekende teksten niet opmaken.
“Vele geboorten ben ik doorgegaan en gij ook, o Arjuna. Ik ken ze alle, maar gij niet.” Aldus Krishna.
Elk bevrijd mens kan na deze cyclus als hij in het nirvana verblijft, verenigd zijn met de Logos. Men kan dit beschouwen als het opgaan van de ziel of het bewustzijn van die mens tot het niveau van een Logos of het nederdalen van de Logos in hem.

9.6.a) Hoe verhoudt Krishna zich tot Parabrahman of het Absolute?
Krishna beschrijft het Absolute als zijn “verblijfplaats van gelukzaligheid” of het Nirvana. Hij is dus niet het Absolute maar hij verblijft erin. Men zou het kunnen interpreteren als in éénheid met zijn ‘verblijfplaats’ of het Absolute. Verder zegt hij hierover “De zon noch de maan, noch het vuur verlichten het. Dat is mijn verheven verblijfplaats.”
Een andere betrekking tussen het Absolute en de Logos wordt gezien in de Logos als het pad dat de mens als bewust denkend wezen naar het Absolute voert. “Door toewijding leert gij mij in essentie kennen en wie en wat ik ben. Mij aldus in essentie kennend, gaat gij zonder verwijl op in het allerhoogste.” aldus Krishna. Hij is dus volgens deze uitspraak niet de allerhoogste, het Absolute, maar een pad ernaar. Er is een vergelijkbare uitdrukking in de bijbel te vinden: “Niemand komt tot de Vader dan door mij.” Wij mogen dus een Logos niet met Parabrahman of het Absolute verwarren, wel als een vertegenwoordiger ervan
Krishna is in substantie echter wel hetzelfde als het Absolute, gelijk ook wij uiteindelijk, maar wij nu nog op een lagere schaal (van bewuste gerealiseerde eenheid) voor ons. Hij drukt zich echter soms uit op een paradoxale (een schijnbare tegenstrijdige) wijze alsof Hij het Absolute zou zijn.

“Laten zij die nog van de rede (de ontwikkeling van Buddhi) verstoken zijn zich Mij, het Ongemanifesteerde, voorstellen als ware het manifest, aangezien zij Mijn allerhoogste wezen niet kennen..” Het “Ongemanifesteerde” slaat ongetwijfeld op ‘Parabrahman’, het Absolute. Maar aangezien hij het Atma is (gelijk ook wij) bestaat er in feite geen wezenlijk verschil tussen die twee.

9.6.b) Wat is toewijding aan een Avatar.
Krishna zegt dat we door toewijding aan Hem tot het allerhoogste komen. Wat houdt dit echter concreet in? In de Bhagavad Gita wordt veel aandacht geschonken aan de verering (of toewijding) aan Krishna als de Logos. Vandaar dat er een ganse verering bestaat op vele plaatsen in India en ook in België, bv. in het Kasteel “Petit Somme” in Septon (met bedenkingen bij hun verering) vlakbij Durbuy in de Ardennen, de zogenaamde ‘Hare Krishna’ beweging.

Uiteraard is God in alles en iedereen aanwezig. We kunnen dus in elke vorm onze verering en toewijding uitdrukken. Het is echter wel zo dat Krishna (en zo voor elke Logos als waarachtige Avatar) als een pad wordt voorgesteld dat ons naar dat hogere kan leiden. De meeste mensen hebben in hun devotie behoefte aan een personificatie van God. Hier is niets verkeerds mee, maar het is best dat we ons bewust zijn dat God door niets of niemand kan voorgesteld worden als het Absolute en onbegrijpelijke Zijn en het dus steeds een hulpmiddel is. Wij noemen dit ons “Ista Devada”, het beeld die wij ons van God vormen en dat wij kunnen liefhebben en onze toewijding geven.

Alle grote godsdiensten zijn doordrongen van de verheven waarheid dat de mens zich geheel dient te wijden aan de verering van een ware Logos (die als een Avatar incarneert) die door elke ware godsdienst of esoterische groep in de wereld is aanvaard. Hierdoor kan een mens langs het ware morele pad geleid worden, dat hem in staat stelt hoger en hoger te stijgen tot aan zijn bevrijding uit deze aardse cyclus. Dan zal hij als onsterfelijk wezen in de Logos leven. Blavatsky zegt echter dat: “Dhyan chohans (en andere hogere wezens zoals een Avatar, pers.) niet het voorwerp moeten zijn van onze aanbidding (dit is niet hetzelfde als toewijding pers.). “Zij verdienen wel de dankbare eerbied van de mensheid. Alleen het altijd onkenbare en de ondoorgrondelijke, die de oorzaak in zichzelf heeft en de oorzaak is van alle oorzaken, het Absolute, zou zijn tempel en altaar moeten hebben op de heilige en nooit betreden grond van ons hart, onzichtbaar, ongrijpbaar en onuitgesproken.” (De tekst “de oorzaak in zichzelf” is van mij persoonlijk. Dit moet ik om correct te zijn vermelden omdat het een aanhaling is van Blavatsky).

Ons diepste echte wezen is Atma en is totaal één met Paramatma, het Absolute. Krishna zegt dat zij die zich richten op het Absolute in hun toewijding ook in Hem zullen opgaan. Maar dat het pad van het ongemanifesteerde voor hen moeilijker te begaan is. Met ons huidige beperkte bewustzijn, kunnen we ons niet echt het onderscheid voorstellen tussen de Logos en het Absolute. Voor ons is het even verbijsterend of een ster duizend of een miljoen lichtjaren van ons verwijderd is. Zelfs de afstand tot onze dichtste ster, Centaurus Proximus, die ‘maar’ 4,3 lichtjaren van ons is verwijderd gaat ons verstand ver te boven. Hetzelfde is a-fortiori (des te meer), de ‘afstand!’ van een Logos tot het Absolute.
Toewijding moet niet echt worden nagestreefd maar moet stilaan steeds meer spontaan worden beleefd. Toch kunnen enkele gedachten ons daarin praktisch helpen. De ware houding moet gevonden worden in (1) onpersoonlijke gerichte toewijding, niet in het vereren van de vorm, maar in het wezen dat de vorm bezielt (de vorm kan ons wel helpen hierin). Het doet er dus niet toe welke uiterlijke menselijke vorm het voorwerp van onze toewijding aanneemt. Dit zal sterk afhankelijk zijn van onze eigen ingesteldheid.

Maar toewijding is niet voldoende, (2) ze moet ook in het dagelijks leven haar toepassing hebben. We moeten een (2.1) oprechte en zachtmoedige houding hebben. We moeten (2.2) onze zinnen kunnen beheersen en beteugelen indien nodig, dit is dus een vorm van zelfdiscipline. (2.3.) We moeten alles gelijkmatig beschouwen, dit is onpersoonlijk zonder verlangens, vreugde scheppend in het welzijn van anderen. Dit is dus geen onderscheid voelen tussen zichzelf en de anderen. In de “Grote of Universele Aanroep” van Annie Besant lezen wij: “Moge ieder die zich één voelt met U, zich daardoor ook één weten met elkaar.”

Krishna waarschuwt ons nog voor een ander punt. “Nooit mag jij hierover spreken met hem die geen asceet is, nooit met iemand zonder toewijding en ook niet met iemand die niet wenst te luisteren en evenmin met diegenen die slecht spreken over Mij” Het was blijkbaar toen reeds, wat onverschilligheid betreft, zoals we helaas nu zoveel zien in onze huidige omgeving. In de bijbel staat dezelfde waarschuwing: “ Werp geen parels voor de zwijnen”.

Van ons wordt (3) de afwezigheid van persoonlijke verlangens verwacht en ook (4) ‘Viveka’ onderscheidingsvermogen. (5) Zuiverheid van onze motieven en onzelfzuchtigheid zijn van wezenlijk belang. Zolang we iets voor onszelf willen, lopen we het risico dat we in iemand gaan geloven, hem navolgen of zelfs vereren die ons voorspoed, een goede gezondheid en geluk belooft. Het onderscheidingsvermogen of scherp inzicht is absoluut noodzakelijk. Het helder inzicht is alleen mogelijk als er geen persoonlijk voordeel mee gemoeid is. Deze vorm van begeerte is de eeuwige vijand van de wijze.

De Bhagavad Gita zegt ons letterlijk hoe onze ingesteldheid moet zijn en de wijze waarop we moeten handelen. (6) “Gij hebt uitsluitend te maken met de handeling, nooit met de vruchten van de handeling. Laat dus nooit de vruchten van de handeling uw beweegreden zijn, maar wees evenmin gehecht aan niet-handelen. Een handeling verricht zonder gehechtheid, zonder gevoelens van sympathie of antipathie, zonder verlangens naar de vruchten van de handeling, noemt men zuiver.”
Tot hier enkele uittreksels van Mary Anderson met een persoonlijke inbreng.

9.6.c)  Is toewijding en een relatie van liefde mogelijk met het Absolute?
Aangezien we uitgebreid over toewijding spraken in vorige paragraaf (die toch liefde als basis heeft) kunnen we ons afvragen of ook liefde kan tegenover het Absolute.
Hier enkele gedachten uit het boek van Taimni “De Mens, God en het Universum”. Taimni is sinds de stichting van de moderne Theosofie één van de belangrijkste schrijvers binnen de “Theosofische Vereniging”. De teksten die ik overneem zijn nooit letterlijk, maar vrij verwerkt en aangepast.

Vooreerst de vraag die voor vele mensen van groot persoonlijk belang is en waarover verwarring en verschil van opvatting bestaat, ook binnen de theosofische vereniging. Is God een persoonlijke of onpersoonlijke God? Bij sommige mensen heerst de indruk dat binnen het esoterisme God beschouwd wordt als een zuiver onpersoonlijk beginsel. Hij is dan niet in een persoonlijke hoedanigheid te benaderen. Daardoor is het ook niet mogelijk met Hem in ons innerlijk leven enige vorm van relatie aan te gaan. Bij deze mensen wordt de idee van een persoonlijke God met een zekere afkeuring bekeken en meestal beschouwd als het resultaat van de antropomorfische neiging bij de mens. Het is echter niet omdat God het Absolute is van de werkelijkheid dat Hij niet zou te benaderen zijn. Juist omdat hij het ‘Absolute’ is in alle opzichten staat hij ook dicht bij ons, naast zijn oneindigheid in tijd en ruimte en de ‘wortel’ van het ‘Zijn’. Hij is dus een God die te benaderen is en met wie persoonlijke relaties kunnen worden aangegaan.
De opvatting van het ‘onpersoonlijke’ komt voort onder invloed van strenge boeddhistische leringen, die slechts met één standpunt rekening hebben gehouden. Het tegengestelde ervan hebben ze volledig genegeerd.

Het Siva-Sakti beginsel (Vader-Moeder) in de Hindoe-filosofie en ook uitgedrukt als ‘Vader-Moeder’ in “De Geheime Leer” wordt beschouwd als prototype en de bron van alle vormen van ouderliefde, zoals tederheid en zorgzaamheid. Dit wordt als model gebruikt voor het Absolute. Zou het Absolute dan die attributen niet hebben? Is het niet redelijker om te veronderstellen dat dit beginsel zelf de diepte-oorsprong is van die liefde. Als onze spirituele ouders, -het Absolute-, wordt afgeschilderd door sommigen als een onpersoonlijk en onverschillig beginsel tegenover ons als de kinderen, waarom wordt dan in alle Heilige Geschriften over hen gesproken in termen van Vader en Moeder?
Het standpunt over een onpersoonlijke God is het resultaat van het eenzijdig benadrukken van één zienswijze. Dit is ten koste van het tegendeel ervan, waar volledig voorbij wordt aan gegaan. De werkelijkheid die aan de basis ligt van dit universum is van zo’n onmetelijke grootheid en complexiteit dat zij in één van haar aspecten wel onpersoonlijk moet zijn. Maar dit feit van het onpersoonlijke ervan moet op zichzelf in evenwicht zijn met het exacte tegendeel. Dit wil zeggen, dat er tussen de goddelijke ouders en iedere individuele ziel de meest intieme en uitzonderlijk persoonlijke relatie kan bestaan, even groots en diepzinnig als het stoffelijk universum dat de tegenpool hiervan is.

Op dit fundamenteel beginsel, ontleend aan ons concept van het Absolute, is de idee gebaseerd van een Saguna-Brahman (hoedanigheid of faculteit van Brahman als universele Geest of het Absolute). Deze hoedanigheid van Brahman heeft de mogelijkheid om de innigste relatie van verliefde en geliefde aan te gaan tussen de individuele ziel en de Universele Ziel. Door de ontwikkeling van deze relatie wordt het pad van liefde, of bhakti-marga betreden. Bhakti is devotie of liefde op het pad van verlichting, nl. ‘marga’. Dit leidt tot bevrijding of éénheid, het samensmelten van de individuele ziel met de Universele Ziel, de wording van een bewuste godheid binnen een grotere totale eenheid. Bhakti Yoga of -marga is de meest direkte weg naar bevrijding als het samengaat met een hoog morele levensloop. Tot hier Taimni.

10. CONGENIALITEIT en MYSTIEK
Nog een korte duiding vanuit een Westers-filosofische en een christelijke mystieke invalshoek uit mijn persoonlijk boek, “Niet te geloven, wel te begrijpen”.

10.1. Inleiding.
Voor de mysticus is heel het leven afgestemd op het goddelijke dat in hemzelf als een goddelijke vonk aanwezig is. Dit gevoel van eenheid is geen abstract wijsgerig gegeven of wiskundig begrip. Het kan gezien worden naar analogie van de menselijke liefde. Aldus toegelicht, heeft deze eenheid elke schaduw van abstractie verloren en heeft plaats gemaakt voor een realiteit die elke mens in zekere mate kan begrijpen. Deze abstractie kan ook in de meditatie overwonnen worden door de visualisatie (voor zover dat we dit nodig hebben) van ons ‘Godsbeeld’, het Ista Devada.
Alleen bij de mens met een intens godsverlangen en grote leergierigheid kan deze goddelijke inwerking gebeuren. “Het goddelijk leven stroomt dan in de mens, overweldigt en overspoelt hem”, aldus Hadewych. “Er ontstaat een ongedurige liefde en een storm van verlangen naar God. Er is een subtiele inwerking van Gods genade, die naast de mystieke minnestroom een honger doet ontstaan om God in deugden te behagen”, zegt Ruusbroec. Zij dragen dan die goddelijke geestesinwerking van macht en liefde, die zich uitdrukt in milde, fijngevoelige en tedere zachtheid. Maar in feite blijft deze doorbraak van het goddelijke nog in het bescheidene, hoe opvallend ook hun charismatische gaven zijn. Want veel meer dan een kracht in het uitwendige, werkt de goddelijke liefde in hen als de inwendige omvormer van de harten.

10.2 Congenialiteit.
Sommige mensen hebben een of ander aspect van goddelijkheid wezenlijk tot uitdrukking gebracht. Zo kennen we een Plato, Ruusbroec, Michelangelo, Bach, Handel, Vivekananda, Ghandi, Blavatsky en nog zovele anderen. Zij hebben tot uitdrukking gebracht wat in ieder van ons aan heimwee en levensfelheid innerlijk aanwezig is. Zo behoren enkele van hen tot de meest oorspronkelijke en machtige geesten van de mensheid. Slechts andere oorspronkelijke en machtige geesten kunnen hen aan. In het allerdiepste begrijpen kan alleen een genie een ander genie volkomen aan. Als men ontroerd is door de muziek van Handel, wijst dat er op dat iets van Handel in ons aanwezig is en meetrilt. Dat heeft Max Scheler (1874-1928) congenialiteit genoemd. Men lijkt op de geest die men begrijpt, het is een soort zielsverwantschap. Zo staan grote geesten tegenover elkaar, zoals alleen bergtoppen tegenover elkaar staan en de grote geluiden van berg tot berg weerkaatsen. De congenialiteit bouwt tegelijk een geestelijke eenheid, want ze is een doorgronden van geest tot geest.

10.3. Menselijke en goddelijke congenialiteit.
Bij de mens is de congenialiteit altijd beperkt. Zelfs bij de meest zeldzame geestontmoeting draagt nog ieder zijn innerlijk leven voor een groot deel alleen. Tegenover God is een volkomen congenialiteit in wezen mogelijk, zij het in de loop van de lange evolutiecycli. Dit komt omdat wij zelf een vonk van het goddelijke bewustzijn zijn. Deze congenialiteit respecteert echter altijd het dubbele aspect van de liefde: de eenheid en het onderscheid. Naar analogie van de congenialiteit van genieën is men dan bewust co-goddelijk. In het Hindoeïsme spreekt men van non-dualiteit, ‘advaita’, geen tweeheid maar éénheid volgens de Vedas.

10.4 Mystieke eenheid.
De bewustwording van de impliciet-aanwezige God in ons zelf, de monade, leidt naar bewuste eenheid met het Absolute of de Kosmische God.
Het is heel redelijk de mystieke eenheid in de sfeer van de liefde te duiden, alle antropomorfisme ten spijt. De diepste grond van ons bestaan is in zijn geestelijke, raadselachtige volheid meer dan een kracht. Het is kosmische personalistische liefde, het is Iemand. Een geniale, geheimzinnige liefde, die meesterlijk steeds een heelal schept waarin in miljardvorm en oneindige diversiteit de goddelijke aspecten tot uitdrukking komen in een hoogtepunt, zoals hier op aarde in de menselijke bewustwording. Zo groeien we naar congenialiteit met God.

  • a) Mystieke eenheid en de verlichting, de weg naar de goddelijke toestand in het nirvana.De weg naar verlichting is in eerste instantie een verruiming van het profane- aards bewustzijn, dit is een inwijding, initiatie of bewuste intrede in de geestelijke wereld.
    Dit gebeurt in twee tijden. Vooreerst de empirische of rationele bewustzijnsverruiming. Dit blijft bij de zintuiglijk waarneembare en verstandelijk verwerkbare fenomenen van de geestelijke wereld. Bijvoorbeeld, als men te Lourdes getuige is van een genezing van miraculeuze aard. Er gaat een licht op, maar het beperkt zich tot het gewone, zintuiglijke en rationeel werkende bewustzijn. Deze gebeurtenis zet wel een stempel in het geheugen, maar van een zogenaamde verruimde bewustzijnstoestand, van een intrede in de andere wereld is nauwelijks sprake, ook al is men aangegrepen.
    De transempirische bewustzijnsverruiming gebeurt doorheen het gewoonlijk sluimerende zielenleven. Ze is altijd in de een of andere zin of graad een zielenreis. De mens heeft een vernauwd aards bewustzijn en een bovenbewust zielenleven. Als dat bovenbewuste het vernauwde bewustzijn doordringt, om er voorlopig althans mee samen te vallen, bijvoorbeeld in meditatie, in een bepaalde graad van ontroering, vervoering of in dromen, dan is er transempirische bewustzijnsverruiming. Dit is omdat het gewoon zintuiglijke is uitgeschakeld en het bewustzijn van de hogere triade zich kan uitdrukken. Niet spiritueel ingestelde mensen maken die ‘zielensprong’ niet, omdat zij in hun dagelijks leven hun hoger manas en buddhi niet ontwikkeld hebben.
  • b) Wanneer de mens zich dan terugtrekt … uit het jachtige en zakelijk doelmatig bezig zijn met de zicht- en tastbare dingen, die de voorgrond uitmaken van deze wereld; wanneer hij zich terugtrekt uit de alledaagse spraakzaamheid om te zwijgen, in zichzelf gekeerd te stijgen boven de zichtbare en tastbare dingen, dan zal hij steeds meer vanuit het geheel van deze wereld, maar ook vanuit de geestelijke wereld, volkomen vrij zijn van de greep van dit leven, de oorsprong en de zin van het geheel innerlijk beleven en situeert hij alles daarin. Dan ervaart hij bewustzijnsverruiming, groeit naar goddelijk, kosmisch bewustzijn, liefde en éénheid, op de weg naar bevrijding. Gij allen die dit leest, ga de doelbewuste weg op het “spirituele pad” en volhard erin.