Reïncarnatie

image_pdfimage_print

1 . INLEIDING

A) Definitie

Reïncarnatie wil zeggen dat het leven door opeenvolgende belichamingen, opklimt tot volmaakter en edeler vermogens van denken, voelen en handelen.

Ofschoon men zich reïncarnatie gewoonlijk voorstelt als alleen maar voor de mens, is ze in werkelijkheid een proces waaraan alle leven en alle organismen onderworpen zijn. Het leven van de roos die sterft, keert terug tot haar onderafdeling van de groepsziel waartoe ze behoort en reïncarneert dan als een andere roos. De hond die sterft keert terug tot zijn honden- groepsziel en reïncarneert later als het jong hondje in een ander nest. Het verschil bij de mens is, dat de mens met de dood niet tot een groepsziel terugkeert, daar hij een individueel en afzonderlijk bewustzijn heeft. Wanneer hij reïncarneert, keert hij terug met de vermogens, die hij in zijn vorige levens heeft ontwikkeld, zonder dat daar iets van verloren gaat.

De betekenis van het woord ‘reïncarnatie’ zoals wij het gebruiken kunnen we als volgt omschrijven: dat de ziel van de mens, vóór hij geboren wordt reeds vroeger op aarde heeft geleefd als man of vrouw, maar niet als dier of plant, behalve vóór de “individualisatie” d.w.z. voordat de ziel een blijvende, zelfbewuste, individuele entiteit werd. In deze opvatting zal de monade bij de geboorte, na een tussen-tijdperk van leven in een geestelijke toestand, op aarde terugkeren als man of vrouw, maar nooit meer de geboorte aannemen van een plant of dier.

De theosofie leert dus, dat eens een ziel ‘geïndividualiseerd’ is als mens, niet meer kan reïncarneren in dierlijke of plantaardige vormen. Vandaar de op niets slaande grapjes dat we in een konijn of een aap zouden reïncarneren. Velen kiezen ervoor zich op de karikatuur blind te staren. Dit is “la facilité du mépris” of het gemak van minachting. Ze houden zich aan karikaturen om niet met de authentieke werkelijkheid geconfronteerd te worden.

B) Het aanvaarden van reïncarnatie

Daar wij allemaal (hopelijk) zonder problemen de reïncarnatie (en de wet van karma) als een vanzelfsprekendheid aannemen, is argumentatie voor of tegen reïncarnatie niet nodig.  Niettemin toch de volgende bedenking. We kunnen onomwonden stellen dat de bewijzen voor reïncarnatie zo overtuigend zijn, dat de verstandelijke aanvaarding en instemming nagenoeg vanzelfsprekend worden voor wie er zich wil in verdiepen. Deze bewijzen zijn van experimentele aard (regressies in hypnose naar vorige levens, met absolute controle) en van empirische aard (spontane herinneringen met controle).

Waarom niet eerder iets aannemen op basis van experimenten en empirische gegevens, in plaats van uitsluitend op theologische of filosofische grond? We zullen het principe van Henri Poincaré huldigen, namelijk dat de feiten absolute voorrang krijgen voor het begrijpen van de realiteit. Contra facta non valent argumenta: tegen feiten kunnen argumenten niet op, aldus de Scholastiek (800-1450).

De omschrijving van de werkelijkheid met het model van reïncarnatie en karma heeft vele voordelen. Het kan aanvaard worden op basis van logica en gezond verstand.

  1. Het is intern consistent, dit wil zeggen, de verschillende elementen spreken elkaar niet tegen, maar vormen een zeer logisch geheel.
  2. Het kan getoetst worden door proefnemingen.
  3. Het model laat geen grote hiaten in de werkelijkheidsverklaring open: alle levensaspecten kunnen er worden in opgenomen.

De mystiek esoterische leer van reïncarnatie en karma is een model dat de werkelijkheid  eenvoudig en logisch verklaart. Het geeft voor sommige feiten een meer aanvaardbare oplossing dan het klassiek wetenschappelijk model. In feite is alle klassieke kennis geïntegreerd in  het esoterisch model en worden de wetenschappelijke bevindingen niet ontkend, maar aangevuld op terreinen waar de wetenschap nog in haar kinderschoenen staat, zoals leven na de dood, paranormale verschijnselen, enz… Het model kan tevens een antwoord formuleren op existentiële vragen, zoals de ultieme zin van het leven, de schijnbare onrechtvaardigheid in de wereld, de zin van het lijden, de bedoeling en de betekenis van bepaalde levensomstandigheden, antwoord op het ‘zogezegde’ toeval, vrije wil, determinisme, noem maar op. Hierdoor is dit model in zijn praktische en ethische toepassing superieur aan een louter beschrijvend model van de werkelijkheid, zoals we dit kennen in de klassieke wetenschap en geeft op alle grote levensvragen een antwoord.

Er zijn talloze zeer goede argumenten waar wij in de context van dit artikel niet verder kunnen op ingaan.  Men kan de reïncarnatieleer niet zo maar als een hersenspinsel afwimpelen.

Voor hen die dit aspect toch dieper willen bestuderen raad ik aan het derde hoofdstuk te lezen van het boek “Niet te geloven wel te begrijpen” van Gabriël Spileers, die een meer apologetische (bewijskrachtige) achtergrond heeft.

Dr. Eben Alexander lag 7 dagen in een diepe coma. Toen hij opnieuw wakker werd, vertelde hij een buitengewoon verhaal van wat hij beleefde toen hij sliep.
Docu “Proof of Heaven: interview with Dr. Eben Alexander” (14min)

C) Spirituele betekenis van reïncarnatie

Voor de spirituele ontwikkeling van elke mens zijn reïncarnatie en karma als het cement dat voor de samenhang zorgt in een spiritueel wereldbeeld. Ze zijn namelijk de verbindende principes tussen de omstandigheden doorheen alle levens die de geestelijke evolutie van de mens bepalen. Alles wat blijvende waarde heeft, zoals onbaatzuchtige liefde, wijsheid en inzicht, verdraagzaamheid, onthechting en andere spirituele waarden die in de Heilige Schriften van alle grote religies en wijsheidsscholen voorkomen, wordt doorheen de vele levens ontwikkeld en leidt uiteindelijk naar bevrijding en éénwording met God.

Zolang het handelen door materiële en zelfzuchtige motieven wordt geleid, zolang moet ook het gevolg van dat handelen zich uitdrukken in stoffelijke wedergeboorten. Alleen de volmaakt onbaatzuchtige mens kan aan de aantrekkingskracht van het stoffelijk leven ontsnappen. Dit is een langdurig evolutieproces, weinigen hebben dit bereikt maar het is het doel van de mensheid.

Als wij in een goddelijk beginsel geloven, dan moet dit beginsel zowel een zijn van volstrekte harmonie, logica en rechtvaardigheid als ook van volstrekte liefde, wijsheid en onpartijdigheid. Een God die elke ziel slechts voor de duur van  één kort aardleven schept, hetzij in een rijk mens of dat van een arme ongelukkige stakker, die vanaf zijn geboorte tot aan zijn dood slechts ellende kent zonder er iets voor misdaan te hebben, zou niet passen  in zo’n godsbeeld en zou fundamenteel onrechtvaardig en willekeurig zijn.

De leer van reïncarnatie op aarde heeft zijn gelijke niet wat logica, samenhang, diep filosofische betekenis, goddelijk mededogen en rechtvaardigheid betreft. Het is een geloof in de eeuwige vooruitgang van ieder incarnerende ziel, in een evolutie van buiten naar binnen, van het stoffelijke naar het geestelijke, om aan het einde van ieder leven een stap dichter te komen bij de goddelijke eenheid. Van kracht naar schoonheid en volmaaktheid van het ene gebied naar een hoger gebied, met in iedere cyclus een grotere vorm van goddelijkheid met kennis en kracht. Dit is de bestemming van iedere ziel die op deze manier in iedere wereld en in elke incarnatie zijn eigen verlosser wordt.

2. DE ZIEL EN HAAR VOERTUIGEN

Het is op de eerste plaats nodig dat wij goed begrijpen, wie of wat het is dat reïncarneert.  Hiervoor moeten wij begrijpen, wat de monade is en wat haar voertuigen of lichamen van bewustzijn zijn.

De mens wordt in verschillende tijden en culturen op verschillende wijzen ingedeeld. De christen onderscheidt lichaam, ziel en geest. In de esoterie onderscheidt  men in de mens zeven beginselen. Men heeft:  A. Het hogere drietal.  B. Het lagere viertal. De hogere gebieden zijn arupa of vormloos, de lagere gebieden zijn rupa of gevormd.

Plato spreekt over de innerlijke mens die uit twee delen bestaat, het ene gevormd uit dezelfde substantie als de godheid, het andere gedeelte als sterfelijk en vergankelijk.  Deze ‘twee delen’ vindt men terug in dit schema; het hogere drietal en het lagere viertal.

Scheme-Soul-Mind-Brain01

A) Het hogere onvergankelijk drietal.

  1. ATMA of de monade (dit is God in ons, ook wel de ziel genoemd). Dit is niet een voertuig in dit geval maar de ‘Goddelijke Geest’ zelf die inwoont in de mens. Het is het para-brahman; ‘para’ in het sanskriet betekent ‘voorbij’, dus voorbij Brahma, het onbegrensde, het onuitsprekelijke.  Het is zuiver bewustzijn, het essentiële en fundamentele beginsel in de mens die ons zelfbewustzijn geeft en alle latente goddelijke faculteiten in aanleg die wij dan verder kunnen ontwikkelen. In de Westerse spiritualiteit gebruikt men meestal het woord ‘ziel’ hiervoor als de representatie van God in de mens. In de theosofie noemt men dit de ‘monade’.
  2. BUDDHI. Het voertuig van deze zuivere universele Geest. Het is het geestelijk orgaan dat zich als intuïtie, begrip, oordeel, onderscheidingsvermogen, enz…, manifesteert. Het is de onafscheidelijke sluier of het kleed (voertuig) van het atma.
  3. MANAS, Men heeft het hogere manas, behorende tot de hogere triade en het lagere manas dat het denken van hersenen is en dus tot het stoffelijk lichaam behoort (bij het lagere viertal). Het hogere manas is het denkvermogen van de goddelijke monade.  Haar straling (van het hogere manas) verbindt de monade of ziel tijdens het leven met de sterfelijke mens. Het Hogere  Manas is de oorsprong van ons Zelf-bewustzijn, het geeft het vermogen tot zelfbeschouwing en zelfverwerkelijking.  De toekomstige toestand en het karmisch lot van de mens hangen af van het feit of manas naar omlaag wordt getrokken naar kama (zie hieronder), de zetel van de dierlijke hartstochten, of naar omhoog naar buddhi ( het punt 2 hierboven). Wanneer manas naar boven wordt gericht  (door de vrije wil van de individualiteit) wordt het hogere manas, steeds meer in buddhi,  opgenomen.  Zij vormen dan samen met de monade de hogere triade met de individualiteit (in haar schoot, zoals Blavatsky het uitdrukt) die, tussen de incarnaties in, de devachan  binnengaat, een toestand van gelukzaligheid.

 B) Het lagere viertal.

  1. KAMA is de zetel van dierlijke begeerten, impulsen en hartstochten. Het is de drijvende en stuwende kracht in de mens, het is goed noch slecht maar wordt bepaald door het gebruik dat het denkvermogen en de persoonlijkheid ervan maken in elk leven.  Het is het centrum van de dierlijke mens, waar de scheidingslijn ligt tussen de sterfelijke mens en het onsterfelijke wezen.
  2. Het ASTRAAL lichaam. Het is het astrale raamwerk waaromheen het fysieke lichaam is gebouwd. Het dient als voertuig in de astrale wereld maar vergaat uiteindelijk ook in de kama-loka, de louteringsplaats vóór de devachan.
  3. PRANA of levensbeginsel, de levensstromen in de mens.
  4. RUPA of stoffelijk lichaam, datgene wat vergankelijk is.Tijdens het leven op een stoffelijke planeet is dit het voertuig van de drie andere lagere beginselen.

3. HET REINCARNATIE-PROCES

In het begin komt de groei van de monade tot stand door ondervindingen, opgedaan in bestaansvormen op gebieden lager dan die van mens zoals mineraal, plant en dier.  Daarna begint zij pas haar evolutieproces als mens.

Het aannemen van haar omhulsels of voertuigen. De monade neemt bij elke nieuwe incarnatie de vier lagere voertuigen aan zoals hierboven aangeduid. Het lagere manas is daarin inbegrepen omdat zij de hersenen gebruikt van het stoffelijk lichaam om rationeel te kunnen denken.

Dit proces waarbij de ziel zich met deze vier lichamen bekleedt, is de reïncarnatie (= herbe-lichaming). Dit proces van reïncarneren heeft plaats na het beëindigen van haar verblijf in de hemel (de dood ginder) en is dus de geboorte hier op aarde (in ons geval).   Gedurende het leven van het stoffelijk lichaam veroorzaakt iedere trilling, waarop de zenuwen reageren, eerst een gewaarwording in de hersenen. Deze reactie wordt door het astrale lichaam waargenomen als aangenaam of onaangenaam. Het mentale (manas) lichaam neemt daarna het oordeel van het astrale waar en vertolkt deze indruk als gedachte. Die gedachte wordt tenslotte waargenomen door de monade. Dan zendt de monade haar antwoord op het verschijnsel van de stoffelijke wereld, door het manas naar het astrale en door het astrale naar het fysieke brein. Ieder ogenblik dat het bewustzijn werkt is er deze overdracht naar en van het stoffelijke lichaam.

Na zich dus vele denkbeelden eigen gemaakt te hebben, ontleedt de ziel deze. Hierop steunt de esoterische leer dat het de ziel is die denkt en dat de hersenen slechts het instrument zijn van het stoffelijk lichaam. De ziel rangschikt dan deze denkbeelden en uit deze ondervindingen van het leven leidt zij algemene idealen af van denken en handelen.  Zij zet de wereld der verschijnselen om in eeuwige begrippen, die een deel uitmaken van haar wezen.

4. LEVEN EN DOOD

Het reïncarnatieproces in omgekeerde volgorde, dat de dood wordt genoemd, laat de ziel  onberoerd. Eerst wordt het stoffelijk lichaam terzijde gelegd en kan dus niet langer reageren op stoffelijke verschijnselen. Het mentale (hoger manas) en astrale lichaam echter heeft zij nog. Zij verblijft een periode in de Kama-Loka voor zij naar de devachan evolueert. Dan wordt het astrale lichaam afgeworpen en wordt geen aandacht meer geschonken aan astrale verschijnselen.

De ziel is, na dit proces, als het ware weer thuis, alhoewel zij feitelijk haar werkelijk verblijf niet verliet in die zin dat de monade of ziel niet in de stoffelijke wereld afdaalt. De persoonlijkheid op aarde is zeer innig met de monade verbonden.

5. HET DOEL VAN REINCARNATIE

Het doel van de reïncarnatie is, een ziel in staat te stellen door de ervaringen van iedere incarnatie wijzer en beter te worden en zo naar goddelijkheid te evolueren. Door deze positieve evolutie zal de ziel uiteindelijk het stadium van de mens overstijgen en dus niet meer hoeven te reïncarneren. Dat stadium boven de mens is dit van de dhyan-chohans, wat men in het christendom de ‘engelen‘ noemt. In de realiteit is het zo dat de éne ziel in staat is vlug lering te trekken uit de ervaringen die ze meemaakt in het leven, terwijl een ander uiterst traag zal zijn en dikwijls dezelfde ervaringen moet meemaken vooraleer zij er de nodige lessen uittrekt. Dit verschil in vatbaarheid voor ervaring en steeds vlugger te evolueren hierdoor is de oorzaak in het verschil van niveau van zielen.

6. DUURZAME BANDEN VAN LIEFDE

Iedere ziel evolueert onder de drijfkracht van haar eigen niveau. De lichamelijke vorm, tot welke de ziel wordt aangetrokken gebeurt in geen enkel opzicht willekeurig. ‘Aanpassing’ is de wet waardoor reïncarnatie en karma zich verzoenen met erfelijkheid.  Men komt dus bij die ouders terecht waar men karmisch het best overéénkomt met de erfelijke factoren.

Zij betreedt het pad dat haar tot goddelijkheid voert niet eenzaam, maar hand in hand met andere zielen met wie zij nauw verbonden was door banden van genegenheid in vorige levens en die zij heeft leren liefhebben. Het is de ware band van liefde die er is tussen zielen was in vorige aardse incarnaties maar die ook gedurende het verblijf in de geestelijke wereld kan zijn ontstaan. Fysieke verwantschappen zijn van minder belang, wel de ene liefde – macht die zich telkens zal openbaren in goddelijke liefde en dienstbetoon, welke ook het aardse kanaal moge zijn die de Meesters van Karma ervoor hebben aangewezen.

SLOTGEDACHTE

Het leven zonder reïncarnatie als sleutel zou wel een zeer onbegrijpelijk drama zijn. In het licht van de reïncarnatie heeft de dood zijn angel en het graf zijn overwinning verloren. De mens kent een onafgebroken evolutie voorwaarts naar meer goddelijkheid, hand in hand met wie ze liefhebben en zonder vrees dat ze ooit zullen gescheiden worden.

Wanneer het ‘spel’ gespeeld is, wanneer alle levens hier op aarde geleefd zijn, dan vangt de monade haar bestemming aan als een dhyan-chohan waar zij eerst een zeer lange periode van rust heeft in een gelukzalige toestand. Daarna kan zij haar evolutie-weg verder zetten op hogere gebieden van goddelijkheid. Voor ieder van ons, thans reeds meer of minder ontwikkeld, is dit de toekomst die ons wacht.